Het weekend in,

met Erik Jan Harmens

(een wekelijkse selectie uit zijn dagelijkse blogs)

2024

CROP TOP (18 DECEMBER 2024)

Gisteren in de Jumbo zachtjes in een kiwi geknepen. Die splesjte, waarna ik een medewerker aan zijn jasje trok. Die alleen de gesplesjte kiwi uit het schap nam. Alle andere bleven liggen.

Ik vond een oude foto van hoe ik met één hand tegen onze Lelijke Eend leunde. Mijn haardacht kan doorgaan voor mod, de spencer die ik draag is meer een crop top.

Een kop in de krant: ‘Verdachte van Tarwekamp-explosie probeerde maand eerder de uitgebrande Range Rover te verkopen.’ Vraag: wie wil een uitgebrande Range Rover kopen? Is daar een markt voor?

Vanochtend vroeg kokend water in een theeglas geschonken, dat meteen in stukken brak. Alles over het aanrecht. Gelukkig geen glas in mijn ogen, wel veel rommel. Alles opgedept, nieuwe thee gezet.

ALMERE CENTRAAL (16 DECEMBER)

Voor iemand die moeite heeft met sociaal contact zag ik in de afgelopen dagen verdacht veel mensen. Op het feestje van de uitgeverij vroeg een collega-schrijver met dubbele tong, en op een volume alsof de muziek hard stond, of ik het op dit soort avonden niet moeilijk vond om niet te drinken. ‘De vraag stellen is ’m beantwoorden,’ reageerde ik, waarna hij me schaterend op de rug begon te slaan alsof er een nootje vastzat in mijn keel.

Op de kunstbeurs Art Antwerp werd ik omvergeblazen door foto’s van Daisuke Yokota. Er hing een analoge, donkere, nogal onscherpe foto van een bergmassief, waarbij het negatief was bewerkt met vlekken en krassen. Je moet erbij geweest zijn, maar voor iemand die moeite heeft om bij zijn emoties te komen stonden er verdacht veel tranen in mijn ogen.

Op de terugweg stapten we in de Euro City Direct. De conducteur somde via de intercom de city’s op die door de trein werden aangedaan: ‘Brussel, Antwerpen, Rotterdam, Amsterdam en ten slotte… Almere Centraal.’ Welke hoorde er niet bij?

De trein was fonkelnieuw, ik was verbijsterd over de geluiden die het vervoersmiddel maakte. Het was alsof iemand de cirkelzaag in mijn hersenpan zette. Ik dacht aan de dikbetaalde experts die de laatste testrit met het voertuig maakten. Bij het horen van de geluiden moeten ze goedkeurend hebben geknikt: ‘Klinkt prima. Niks meer aan doen.’

Snel mijn oortjes met noise cancelling in, die the horror niet stopten, wel verzachtten.

NIET NIET (13 DECEMBER)

‘Ik kan niet zeggen dat ik niet blij ben,’ zei Ajax-coach Francesco Farioli gisteren na de wedstrijd tegen Lazio Roma.

Dat iemand niet kan zeggen dat hij niet blij is, wil niet zeggen dat hij blij is. Hij is niet niet blij en dat is iets anders.

Ik kan niet zeggen dat ik niet gelukkig ben. Met dat statement speel ik in op een eventuele dip. Als die komt, is de val niet zo diep. Want ik was niet gelukkig, ik was alleen maar niet niet gelukkig.

KERSTBOOM (11 DECEMBER)

Gisteren heb ik gehuild. Niet een beetje, maar all the way, met schokkende schouders en snot. Daarna moest ik met de pont en iedereen keek naar mijn roodomrande ogen. Daar gaf ik dan weer niks om.

Waar ik om huilde, hou ik voor mezelf. Niet dat ik jou, lezer van dit blog, niet vertrouw. Maar er moet afstand zijn tussen hoe ik leef en hoe ik schrijf. Anders speel ik in mijn eigen soap. Dat zou gekmakend zijn. Dat de mensen op de pont geen mensen op de pont zijn, maar figuranten.

Op straat hingen bordjes: ‘Lever hier uw kerstboom in.’ Op die bordjes was een sticker geplakt met de toevoeging: ‘Vanaf 27 december’. Blijkbaar zouden mensen anders hun kerstboom nú al langs de kant van de weg flikkeren.

VANNACHT (8 DECEMBER)

Vannacht sliep ik bijna, toen iemand voor mijn huis besloot de deur van zijn auto hard dicht te gooien. Zo hard, dat je er een boodschap in kon horen. Een boodschap aan mij gericht: ik gooi mijn deur dicht zo hard als ik wil.

Toch weer gekalmeerd. Net toen ik opnieuw bijna het heuveltje over was, de borden met Dromenland al was gepasseerd, hoorde ik mensen buiten heel hard lachen. Ze gierden en in gedachten zag ik hoe mest uit hun monden werd gespoten. Toen werd er een auto gestart die toeterend wegreed. De boodschap aan mij: ik toeter wanneer ik dat wil.

Ongeloof vanonder mijn tot de kin opgetrokken dekbed: dat doe je toch niet. Daarna probeerde ik mezelf ervan te doordringen dat het geen aan mij gerichte boodschappen waren. Toen dat niet lukte, kwam de woede.

Nu is het ochtend. Alles wat vannacht nog zo vijandig oogde, ligt er ineens vredig bij. Terwijl er niets is veranderd: het bed is het bed, de slaapkamer de slaapkamer. Alles is hetzelfde, niets nog wat het was.

PAD (6 DECEMBER)

Ik loop bij de fysio. Geen idee waarom je dat zo zegt, want er is juist een probleem met lopen, daarom ga ik naar de fysio.

Hardlopen doe ik al vijf weken niet meer. Gelukkig zegt de fysio niet dat het nooit meer kan. Waar ik van nature zwaarmoedig ben, is hij monter: ‘Eens kijken hoe we jou zo snel mogelijk weer op de been kunnen krijgen.’

Ik herinner me dat ik bijna twintig jaar geleden wilde gaan hardlopen, maar niet wist hoe. Met mijn toenmalige lichaamsbouw en bourgondische levensstijl leek het niet voor me weggelegd. Een vriend zei: ‘Je moet gewoon schoenen kopen, sokken, een sportbroekje en een shirt. En dan gáán.’ Dus ik naar de winkel en dat kopen, waarna ik me naar het Amsterdamse Bos verplaatste en aan het begin van een pad stond.

Ik weet nog goed dat ik heel bewust zag wat voor me lag.

DE MAND DIE ALLES ZAG (5 DECEMBER)

In mijn huis staat een groene plastic mand. Ik sleep ’m al jaren mee van de ene woning naar de andere. Het is een onding, maar ik wil ’m niet kwijt.

Op pakjesavond riep mijn moeder altijd: ga maar even op zolder kijken. Dan stoven we naar boven en daar stond ie, tot de rand gevuld met presentjes.

Daarna gingen mijn ouders scheiden en hadden we ineens geen geld meer: kreeg op 5 december iedereen een chocoladeletter van het huismerk.

Dit is de mand die alles zag. Nu de bestemming voor vuile was. Soms streel ik met mijn wijsvinger zachtjes over de rand, als Aladdin over de toverlamp. Er komt geen geest uit, waarschijnlijk moet je daarvoor echt wrijven.

GUUS TIL (2 DECEMBER)

Voetballer Guus Til gaf gisteren een openhartig en eerlijk interview aan ESPN. Hij had twee keer gescoord namens PSV tegen FC Utrecht. Na de wedstrijd verwachtte je euforie en borstklopperij, in plaats daarvan verzuchtte hij: ‘Ik heb geen vuur meer, sta zo neutraal op het veld. Ik loop op het veld en voel het niet. Ik maak twee goals en ik kan niet eens juichen. Ik wil blijheid uitstralen, maar op dit moment heb ik dat niet.’

Onduidelijk is of Til alleen reflecteerde op zijn sportieve prestaties, of op iets groters. Dat doet er ook helemaal niet toe, of het een trend is of een momentopname. Hij is voor mij de man van de wedstrijd wegens het neerlaten van de façade.

Dat je honderd procent eerlijk durft te zeggen hoe het met je gaat. Weet wat je moét voelen, maar het niet voelt. En dan geen blijdschap blijft voorwenden. Ophoudt met pretenden.

RUIS (1 DECEMBER)

In de geweldige voorstelling Douglas (te zien op Netflix) definieert Hannah Gadsby autisme: ‘Het is alsof je de enige nuchtere persoon bent in een kamer vol met dronken mensen. Of andersom, de enige dronken persoon in een kamer vol met nuchtere mensen.’

Je zit voortdurend op een andere golflengte dan de meeste anderen. Steeds draai je aan de knop op zoek naar de juiste zender, maar je hoort alleen maar ruis.

Lange tijd heb ik geprobeerd te doen alsof ik op de juiste zender had afgestemd. Toen ik eindelijk toegaf, waren er mensen die ontkenden dat ik op een andere golflengte zat. Ze zeiden dat er niks mis met me was. Waarop mijn vraag luidde: ‘Waarom hoor ik dan alleen maar ruis?’

OP IS OP (29 NOVEMBER)

Na de Black Friday-week, die in sommige winkels acht dagen duurde, is het vandaag Black Friday. Al zijn er ondernemers die roepen: ‘Bij ons duurt Black Friday tot en met maandag.’

‘Op is op’, hoor ik steeds: een redenering waar geen speld tussen is te krijgen. Eerst is iets er in ruime mate. Dan ‘gaat het hard’. Vervolgens is iets ‘bijna op’. Ten slotte ‘op’. En dan is het ook echt op. Want op is op.

Ik herinner me dat ergens begin jaren tachtig in winkelcentrum de Ridderhof in Alphen aan den Rijn (waarnaast ik opgroeide) een nieuwe witgoedzaak werd geopend. Ballonnen, serpentines, een bedrijfsleider die door een megafoon het toegestroomde publiek toeriep dat hij een wasmachine cadeau deed aan de eerste persoon die hem een appel en een ei zou overhandigen.

Ik naar huis sprinten, waar ik mijn armlastige moeder vaak had horen verzuchten dat het een ramp zou zijn als onze oude wasmachine ermee op zou houden. ‘Heb… je… voor mij… een appel… en een ei…’ hijgde ik, maar die hadden we niet. Sowieso hadden we nooit fruit, toch kregen we geen scheurbuik.

Terug naar de witgoedzaak, waar de winnaar rondparadeerde met zijn wasmachine op een steekkarretje. Ik wachtte voor het geval er nóg een winactie zou komen, maar op was op.

EX-STORM (28 NOVEMBER)

Het hoogtepunt van een storm is de dag erna, als het niet meer stormt. Dan is alles stil en kalm. Maar zo anders stil en kalm dan na een dag waarop het niét stormde.

Stilte en kalmte na een dag waarop het niet stormde, is gewoon een stille, kalme dag. Maar stilte en kalmte na een dag waarop het stormde, is een dag waarop je weer naar buiten loopt zonder te hoeven vrezen dat je een wasrek op je hoofd krijgt. Of een dakpan. Of een esdoorn.

Toen gisteren de storm op zijn ergst was, ging ik naar buiten. Ik wilde ’m voelen. En ik voelde ’m.

Ik voelde de kracht. En dat ik die niet had.

SURPRISE GUEST (27 NOVEMBER)

Ik schrijf in Het grote autismeboek dat ik nooit meer naar boekpresentaties ga omdat het te veel prikkels zijn. Maar sinds het boek uit is, ga ik best vaak naar boekpresentaties.

Ik voel me een ‘surprise guest’, want mensen verwachten niet dat ik kom. Ze zijn positief verrast en ik vind het leuk om mensen positief te verrassen. Dat ze blij zijn dat ik er ben, met de armen wijd open op me af lopen: ‘Je bént er!’

Ik vind het ook leuk dat mensen niet ‘nu al?!’ roepen als ik ga.

BLOK BETON (20 NOVEMBER)

Als iemand vanwege een handicap zorg nodig heeft, komt ie in aanmerking voor een persoonsgebonden budget. En ik ontvang zo’n budget. Want ik heb een handicap.

Wat volgens de EU-richtlijn gelijke behandeling betekent dat ik ‘langdurig beperkt ben als gevolg van een aandoening die iemand verhindert volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met anderen deel te nemen aan de samenleving in het algemeen en het beroepsleven in het bijzonder’.

Sinds mijn diagnose probeer ik recht te doen aan mijn beperkingen en te accepteren dat er dingen zijn die bij wijze van spreken iedereen kan, behalve ik. Zoals praten over niets, valsspelen bij Yahtzee of liegen.

Dat recht doen en accepteren lukt soms aardig, maar tegelijkertijd zijn langdurig beperkt, handicap en aandoening van die zware woorden. Soms voelen ze als een blok beton aan mijn been. Zie in de oceaan des levens dan nog maar ’ns je hoofd boven water te houden.

MOE (17 NOVEMBER)  

Ik had te weinig ijzer dus kocht ik bij de drogist een potje met daarop het woord ijzer.

Thuisgekomen zag ik wat erop stond: ‘Draagt bij aan de vermindering van vermoeidheid en moeheid.’ Meteen mijn brein op volle toeren: wat is het verschil tussen vermoeidheid en moeheid?

Even googelen: moeheid is wat je ervaart aan het eind van de middag, na een dag hard werken, en ook net voor het slapen gaan. Vermoeidheid is dat je de hele dag een laag energieniveau hebt.

Ben ik moe of vermoeid? Een vraag waar ik geen antwoord op heb. Net als dat iemand vraagt of ik het warm heb. Of koud heb. Of ik pijn heb. Of ik nerveus ben. Of ik gelukkig ben.

Hoe kan iedereen daar steeds maar weer een kant-en-klaar antwoord op hebben? Ben ik moe? Ik weet het niet. Ik heb behoefte aan rust. Maar als het moet, kan ik ook nog wel even door. Ben je dan moe?

CONGRES (15 NOVEMBER)

Ik was op een congres met twaalfhonderd bezoekers. Iedereen verzamelde zich in een centrale hal, waar ik het gezamenlijke gezoem op me liet inwerken. Het was alsof ik tot in het midden van een bijenkorf was doorgedrongen.

Toen iedereen naar de grote zaal was gegaan en de hal zo’n beetje leeg was, stond ik daar nog. Het zoemen was niet opgehouden, maar klonk alleen nog in mijn hoofd. 

Personeel was aan het op- en afruimen, iemand herkende me van mijn boek en zei: ‘Dat je dat kon, met al die mensen… Lukte het om je af te sluiten voor al die geluiden?’

‘Nee,’ antwoordde ik, ‘afsluiten lukte niet. Dus toen ben ik me er maar voor gaan openstellen. Dat ging beter.’

WERKELIJK (13 NOVEMBER)

Wat als alles zou zijn wat het is.

Als iemand vraagt hoe het met me gaat, wil hij dat ook echt weten.

Als iemand zegt: ‘Lekker weertje hè?’ dan is het ook lekker weer.

Als de ober vraagt of het heeft gesmaakt en het was vies, dan antwoord je: ‘Helaas niet.’ En belooft de kok beterschap (of hij heeft schijt).

Als je tegen iemand zegt: ‘Wat zie jij er goed uit,’ en die reageert met: ‘Dank je wel, jij ook,’ dan zegt die ander dat laatste niet uit beleefdheid, een compliment in ruil voor een compliment, maar omdat ie het meent en werkelijk vindt dat jij er óók goed uitziet.

Als er iets gebeurt, dan wordt door journalisten niet verslag gedaan van wat er niet gebeurd is. Ook niet van wat er had kunnen zijn gebeurd. Ook niet van wat mensen vrezen dat er gebeurd zou kunnen zijn. Ze doen gewoon verslag van wat er werkelijk gebeurd is.

En als ze nog niet weten wat er werkelijk gebeurd is, gaan ze niet speculeren. Maar zeggen ze: we weten nog niet wat er werkelijk gebeurd is. En dan wacht ik. Tot ze het weten. En dat verslag wil ik dan lezen.

STACARAVAN (11 NOVEMBER)

Twaalf jaar geleden woonde ik door omstandigheden zes maanden in een stacaravan in Den Ilp. Hij stond verscholen opgesteld op een groezelig terreintje achter café De Drie Zwanen.

Ik was net gestopt met drinken en hoorde elke nacht na de laatste ronde mensen naar buiten komen en aldaar het gedrag vertonen dat ik zojuist had afgezworen.

Niemand wist waar ik verbleef, ik was onzichtbaar. Ik bracht de dag door met lezen en schrijven, afgewisseld met een wandeling. Mijn vrienden stonden op pauze, de liefde ook, aanvragen voor een interview bleven onbeantwoord.

Prettig was het niet, maar ook niet onprettig. Ik had geen verwachtingen en werd nergens door teleurgesteld. Er stonden nog drie stacaravans op het groezelige terreintje, daarin woonden andere mannen. Niemand bemoeide zich met elkaar, niemand had een naam. Soms verlang ik daar weer naar.

PAC-MAN (7 NOVEMBER)

‘This is so embarrasing lmao, but are you the guy from this morning in the supermarket?’

Ik weet dat het nep is, dit bericht van ene ‘Lena’. Die ik verder niet ken, met wie ik niet verbonden ben, niet in het leven en ook niet via Instagram. Het is spam.

Het is een bericht dat door het filter kwam als een zaadcel langs een pessarium. Het is niet voor mij bestemd, ik hoef er niets mee. Er zijn meer dan genoeg dingen die wél echt zijn en waar ik wél iets mee moet. Geef dáár aandacht aan.

In plaats daarvan denk ik: was ik vanmorgen in de supermarkt? En klik ik op Lena’s profielfoto: zag ik haar vanochtend tussen de schappen? Dat zou bijzonder zijn, want in de supermarkt zie ik meestal niemand. Maak ik van de menigte een blur. Hindernissen van vlees en bloed waar ik langs moet manoeuvreren als in een PAC-MAN-speelveld.

AANKIJKEN (5 NOVEMBER)

and if the people stare
then the people stare

- The Smiths

Net liep ik op straat en keek bijna iedereen me aan. Meteen m’n telefoon gepakt en mezelf googelen om te checken of ik in het nieuws was: niet vandaag.

Foto van m’n gezicht maken, misschien had ik een rood oog of iets dergelijks: alles normaal.

Ik ken best veel mensen met autisme die niet van oogcontact houden, maar er zijn er ook die anderen juist heel erg intens en aanhoudend aankijken. Als een antropoloog die menselijke gezichtsuitdrukkingen bestudeert.

Ik vermijd langdurig oogcontact meestal. Niet voor mezelf, maar voor de ander. Ik wil niet dat iemand anders zich oncomfortabel voelt vanwege mijn blik en het is niet iets wat je aan een ander vraagt: voel je je oncomfortabel als ik je langdurig aankijk?

Voor de zekerheid doe ik het dan maar niet.

HOE GAAT HET (3 NOVEMBER)

De afgelopen twee weken ging het niet goed met me, maar dat ga ik jou niet aan je neus hangen.

Sorry dat ik dat zo zeg. Alsof jij er iets aan kon doen dat het niet goed met me ging. Je wist het niet eens. Hoe had je het kunnen weten?

Je had het me kunnen vragen. Het lukt lang niet altijd, maar wat ik probéér is om aan de mensen dicht bij me regelmatig te vragen hoe het met ze gaat. Naar hun antwoord te luisteren en als het klinkt als gesugarcoat dóór te vragen.

Niet om ze in een hoek te drijven. Juist om ze uit een hoek te krijgen.

STOK (2 NOVEMBER)

In Het Grote Autismeboek staat een interview met de tachtigjarige dichter Neeltje Maria Min. Ze vertelt: “Als ik naar buiten ga, pak ik altijd mijn sleutels én mijn stok, zodat ik toch een beetje gewapend ben. En ik doe een masker voor, geen echte maar een virtuele, waarachter ik me kan verschuilen.”

Ik ben ook altijd gewapend als ik de openbare ruimte betreed. Die begint waar de drempel ophoudt. Een stok heb ik nog niet, wel sleutels. Soms grijp ik ze vast en bal ik mijn vuist, waarna ik het topje van de voordeursleutel tussen twee kootjes naar buiten laat glippen.

Zodat er een wapen ontstaat.

Ik heb nooit op iemand getest of dit werkt, of dit iets uithaalt.

SIPPEN (1 NOVEMBER)

Ik las een wonderschoon artikel in Psychology Today over autisme en laatdiagnoses (met dank aan Sebastiaan Faber voor het doorsturen).

Het stuk staat vol woorden van troost, die ik opslurpte als honing (ervan uitgaande dat je van honing houdt, anders iets anders invullen dat je graag opslurpt).

Zoals deze zin: ‘A diagnosis can give someone permission to finally unmask their authentic self.’ Behalve opluchting, over dat je eindelijk jezelf mag zijn en mag ontdekken wie dat dan precies is, is er ook verdriet, omdat je decennialang hebt gedacht dat je niet goed snik was, oordeelde dat je alles steeds moedwillig verklootte.

‘It’s possible to mourn missed opportunities without looking back in anger,’ stelt een van de geïnterviewden vast. Die is daarin verder dan ik, ik zit nog vaak te sippen.

VERZADIGD (29 OKTOBER)

De bal kaatsen heeft één groot nadeel: je weet nooit wanneer je ’m kunt terugverwachten.

Ik zocht en vond de spelregels van kaatsen, las de eerste twee zinnen en hield er weer mee op. Mijn hoofd is een verzadigde spons, er past niets meer bij. Er moet juist iets uit. Ik blijf er maar in knijpen. Hoe verzadigd kan een spons zijn?

Mensen aan wie ik vertel hoe vol ik zit, hebben tips. Die gaan als wind langs me heen. Als je zo vol zit dat je zelfs de oplossingen om minder vol te zitten niet meer op kunt nemen, is het goed mis.

WINTERTIJD (27 OKTOBER)

Zomertijd. Er wordt een uur van mij afgepakt. Met de tong op de schoenen kom ik de dag door. Was ik maar in staat tot siësta, maar daarvoor sta ik te veel op scherp.

Wintertijd. Een uur cadeau. Euforisch kijk ik op de wekker: het is nog lang geen kwart voor zeven, het is pas kwart voor zes. Ik mag nog even, wat een verwennerij. Weg zak ik weer, in een tomeloze droom.

Krijg ik eigenlijk een uur cadeau, of ontvang ik terug wat mij eerder is afgenomen? Als ik een kledingstuk bestel en het terugstuur, heb ik nadat het aankoopbedrag is teruggestort ook altijd het idee dat ik geld heb verdiend. Het voelt als vooruitgang, terwijl ik alleen maar een stap achteruit zette en weer naar voren.

PARAPLU (25 OKTOBER)

Ik voel me vaak alleen, al word ik omringd door mensen. Zo zijn er ook mensen met niemand om zich heen die zich helemaal niet alleen voelen. Althans, dat neem ik aan. Niemand om het te checken.

Pas dacht ik aan het woord eenzaam en prevelde ik: ‘Eén… sáám. Eén… sáám.’ Geen idee wat ik daar nou weer mee moest.

Ik denk dat je dat pas bent, eenzaam, als je het zegt. Als je het woord in de mond neemt. Daarvóór kun je ook doorgaan voor iemand-die-een-beetje-op-zichzelf-is.

Zoals een alcoholist heel lang kan beweren dat hij een levensgenieter is, een bourgondiër. Tot hij (dan wel zijn lever) het niet meer volhoudt.

Je bent natuurlijk ook pas een mens met autisme vanaf het moment dat de diagnose is gesteld. Daarvoor ben je allerlei andere dingen. Nu is er één woord. Een paraplubegrip om onder te schuilen.

NAAZ (22 OKTOBER)

Naaz was al een geweldige zangeres, maar is nu nog iets, namelijk de bezitter van een autismediagnose. Ze schreef erover op Insta: ‘I’ve finally found compassion for the way I perceive and move through life.’

Let op dat woordje finally. Heel veel mensen hebben er een leven vol strijd op zitten, met anderen maar vooral met zichzelf, voor ze zich eindelijk bij een ggz-instelling melden voor diagnostisch onderzoek.

Wat me raakt is dat Naaz aan haar volgers schrijft: ‘I’m honored to share this with you. I truly trust you.’

Sinds mijn coming-aut probeer ik me af en toe achterover te laten vallen, in het vertrouwen dat ik word opgevangen. Gebeurt dat laatste niet, dan voelt dat natuurlijk niet goed, maar toch beter dan: niet vertrouwen.

VRAGEN (20 OKTOBER)

Dag in, dag uit worden mij vragen voorgelegd. Die bestaan uit verschillende categorieën. Soms is een vraag helemaal geen vraag. Zoals de nieuwe slogan van Hellofresh op de achterkant van hun bestelbusjes: “Is het al etenstijd?” Ik ga daar meteen heel serieus over nadenken, terwijl de meeste mensen begrijpen dat wordt bedoeld dat het bezorgde eten zo vers is dat iedere klant zodra de bel gaat naar de klok kijkt en denkt: kon ik maar vast gaan koken.

Wat je ook hebt zijn retorische vragen, bijvoorbeeld: ‘Mag ik heel even wat vragen?’ Waarop aansluitend een vraag komt, terwijl ik nog helemaal geen ja heb gezegd.

‘Vind je toch niet erg, hè?’

‘Zet jij de borden even in de vaatwasser?’

‘Wie wil dit nou niet?’

Achter iedere zin staat een vraagteken, maar dat kan net zo goed weg. Want eigenlijk staat er:

‘Dit vind jij niet erg.’ 

‘Zet de borden in de vaatwasser.’

‘Iedereen wil dit.’

Soms is een vraag ineens wél echt een vraag. Zit je lekker op de bank, half te luisteren naar de persoon naast je, half weg te dromen, wordt er ineens gevraagd: ‘Hoe vind je eigenlijk dat het gaat tussen ons?’

TANTE THEA (18 OKTOBER)

Steeds gaan we weer terug naar de Rigolettohof. De straat in Alphen aan den Rijn waar mijn broer, mijn zus en ik zijn opgegroeid.

Gisteren liepen we weer langs het door mijn broer veertig jaar geleden in elkaar getimmerde tuinhek. Onze vingers over het verweerde hout, alsof we zo de tijd kunnen aanraken.

De dikke gordijnen bij de buren waren stijf dicht. Ze wonen er nog en leven als mollen.

We gingen langs bij tante Thea, die op een steenworp afstand van ons voormalig ouderlijk huis woont en vroeger altijd brood en erwtensoep kwam brengen, omdat wij niet echt iets te eten hadden.

Daar zijn we haar voor altijd enorm dankbaar voor, al wuift ze die lof weg als een mug. Niet nodig.

DE GROTE PRIKKELARME AUTISMESHOW (12 OKTOBER)

De grote prikkelarme autismeshow gisteravond in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam was onvergetelijk. Het aantal indrukken in mijn hoofd loopt in de miljoenen.

Iedereen die erbij was, op de locatie of via de stream: heel erg bedankt. Ook dank aan iedereen die erbij wilde zijn, maar het toch niet redde, omdat zo’n avond bezoeken gewoon te veel was. Dank je wel dat je het hebt geprobeerd. En mocht je eraan toe zijn, dan kun je door hier te klikken de show alsnog bekijken.

Het Grote Autismeboek is de wereld in. Ik zag mensen Pakhuis de Zwijger verlaten met het boek stevig tegen de borst gedrukt, als een maliënkolder. Als dit boek mensen bescherming kan bieden én voor openheid kan zorgen, ben ik als schrijver en als mens diep gelukkig.

THE GREAT PRETENDER (7 OKTOBER)

De kop boven dat essay van mij van afgelopen weekend: ‘Erik ontdekte als volwassene dat hij autisme heeft.’

Maar ik heb helemaal niets ontdekt. Ik ging juist blanco het diagnostisch onderzoek in, was een onbeschreven blad. Nu was het aan ‘de professionals’ om een oordeel te vellen: had ik autisme of niet? Of alleen een lichte vorm? Wat dat dan ook maar mag beduiden, want wat is licht?

Pas sprak ik iemand die volgens haar psycholoog ‘een lichte vorm van autisme’ heeft. Het geestelijk lijden is er niet minder om, want ze is een expert in verhullen en rookgordijnen optrekken. Haar lijflied is The Great Pretender: ‘I seem to be… what I'm not, you see.’

Ze zingt het de hele dag door. Zo zacht dat niemand het hoort.

OPSCHALEN (3 OKTOBER)

Zo de trein in. Ik reis 1ste klas. Niet omdat ik me verheven voel boven het volk, maar dan kan ik zitten. Zonder dat er iemand voor of naast me zit. Waarbij het been van de ander het mijne raakt en dan niet terugdeinst, maar daar blijft. En ik mijn been ook maar niet van dat van de ander verwijder, anders denkt ie dat ik vies van ’m ben. Wat ook zo is, maar ik wil het niet laten merken.

Het vervelendste in de trein vind ik de intercom. Die staat altijd op z’n hardst. Daar is een reden voor, iedereen moet het horen. Maar het is alsof iemand een slijptol tegen mijn oor zet. Ik kan je vertellen: dat doet pijn.

Het overkomt me in de trein ook vaak dat iemand me enorm aan gaat zitten kijken. Eerst kijk ik vriendelijk terug, waarna ik mijn blik afwend. Waarna ik mijn blik weer even op de ander richt, die nog steeds kijkt. Waarna ik nog een keer vriendelijk terugkijk en weer weg. En weer terug. Als de ander dan nog steeds kijkt, ga ik heel strak terugkijken.

Daarna sta ik op en hou ik mijn gezicht vlak voor dat van de ander. Daarna grom ik als een wolf. Grote kans dat ie dan de andere kant opkijkt. Zo niet, dan schaal ik op.

MIJN HOOFD (2 OKTOBER)

Gisteren had ik een gesprek met mijn behandelaar. Ik wou schrijven: ‘gisteren had ik therapie,’ maar ik weet eigenlijk niet of ik in therapie ben. We hebben het woord nooit in de mond genomen, maar werken wel ergens aan.

Sowieso hadden we het over mijn hoofd. Het gaat altijd over mijn hoofd, nooit het hare. Zoals ik ook geen brood naar de bakker breng, ik kom het halen.

Soms kijk ik in de badkamerspiegel naar mijn hoofd. Naar de buitenkant. Ik ben de enige die mijn hoofd zowel vanbuiten als vanbinnen kan waarnemen.

Soms zou ik willen dat iemand bij mij binnen mee kan kijken. Ik ben benieuwd wat diens reactie gaat zijn, ik hoop niet: de hand voor de mond slaan. Ik hoop op kushandjes mijn kant op en twee wijdgespreide armen, om als voor een vuurpeloton in neer te vallen.

VRIENDEN (30 SEPTEMBER)

Vijf jaar geleden kreeg ik mijn autismediagnose. Een van de eerste vragen die ik moest beantwoorden was of ik vrienden had. ‘Ik heb heel veel vrienden,’ antwoordde ik. ‘Hoe vaak zie of spreek je ze?’ was de vervolgvraag. Waarop ik naar waarheid antwoordde: ‘Vrijwel nooit.’

Thuis meteen opzoeken in het woordenboek, een vriend is: ‘een persoon waarmee je door gevoelens van genegenheid bent verbonden’. Genegenheid is: ‘goedgunstige gezindheid, liefde’.

Ik ben mijn vrienden goedgunstig gezind, voel veel liefde voor ze. Sinds mijn diagnose probeer ik meer voor mezelf te kiezen. Voldoende rust in te bouwen, zodat het leven me niet meer zo overweldigt. Wat betekent dat ik nauwelijks nog naar feestjes ga en afspraken afzeg als mijn hoofd te vol zit. Met als gevolg dat ik mijn vrienden nog minder zie dan ik ze al zag.

Voor mezelf kiezen geeft rust, maar leidt ook tot nieuwe onrust. Want ik mis mijn vrienden.

SLUIMERSTAND (26 SEPTEMBER)

Vanochtend vroeg kon ik mijn oortjes niet vinden. Lopend door de regen luisterde ik voor de verandering een keer naar niets in plaats van naar een podcast.

Wat hoorde ik veel. Flarden van gesprekken over tegenslag of successen. Gekwinkeleer van vogels met een naam die ik niet ken. En de regen zelf natuurlijk, tikkend op mijn capuchon als op tentdoek; ik kreeg zin om me behaaglijk op te rollen in een slaapzak.

Raar dat naar niets luisteren zoiets ongekends is. Mensen betalen grof geld om mee te doen aan een stilteweekend, terwijl iedereen toch zelf bij machte is om gratis en voor niks 48 uur zijn bek te houden.

Ik luisterde naar niets en zei niets. Geen input, geen output. Geen verhaal, geen uitleg. Niets om je aandacht bij te houden, waardoor je niet out gaat, maar in een soort sluimerstand raakt.

LANGE BRUG (24 SEPTEMBER)

Ik woon op een schiereiland waar een lage brug een bassin overspant. Die brug heeft een naam: ’Lage Brug’.

Vierhonderd meter verderop wordt datzelfde water overspannen door een veel hogere brug. Die brug heet: ‘Hoge Brug’.

Tegenover mijn huis is een veel kortere brug. Je raadt al hoe die heet: ‘Korte brug’.

Het enige wat nog mist is een brug waar naar het lijkt geen einde aan komt. Dat mensen onderweg even moeten uitblazen: ‘Wát een lange brug.’ En dat ik dan kan zeggen: ‘Klopt. Hij heet dan ook: Lange Brug.’

IK BEN GELUKKIG (22 SEPTEMBER)

Gisteren was in Tivoli Vredenburg in Utrecht de finale van het NK Poetry Slam. Acht deelnemers streden om de winst en mijn zoon Julian werd derde. Op slechts een tiende punt achter de nummer 2, zo klein waren de verschillen. Wat een wereldprestatie.

Mijn zoon heeft zichzelf de taal eigen gemaakt, op z’n derde kregen zijn moeder en ik te horen dat Julian mogelijk nooit zou gaan praten. 21 jaar later staat ie in de NK-finale.

Trots dekt de lading niet als ik moet beschrijven hoe ik me gisteren als toeschouwer voelde. Ik kijk naar mijn zoon en ik kijk naar mijn dochter en ik zie twee prachtige, slimme, grappige, lieve mensen die oprecht en toegewijd in het leven staan en helemaal zichzelf zijn.

Het gevoel dat dat geeft laat zich in drie woorden samenvatten. Ik ben gelukkig.

KOM DAN (20 SEPTEMBER)

De bel ging. Altijd vervelend. Hond helemaal door het dolle. Baasje ook, maar dan vanbinnen. Vanbuiten zie ik eruit als iemand die naar de deur loopt, de deur open gaat doen, de persoon aan de andere kant van de drempel gaat begroeten.

Terwijl ik naar de deur loop, overdenk ik wie kan hebben aangebeld. Een bezorger met een pakje voor mij, een bezorger met een pakje voor de buurman, een vriend die toevallig in de buurt was. Ik overdenk álle mogelijkheden, ook die van een seriemoordenaar met een bijl in zijn hand. Het kán, dat die ineens voor je deur staat, en dus neem ik ook hem mee in mijn overdenking.

Uiteindelijk was het niemand. Nog net zag ik in de verte een groepje kinderen de hoek om verdwijnen. Toen ze mij zagen staan, riep de dapperste: ‘Kóm dan!’ Even overwoog ik een sprint in te zetten.

PASJES (18 SEPTEMBER)

Ik had een korte broek aan met ondiepe zakken. Daarin gingen mijn huissleutels, mijn telefoon, de houder van mijn oortjes en het mapje met mijn pasjes.

Beter had ik al die spulletjes in een heuptasje gedaan, maar dat kon ik niet vinden. In de biowinkel spulletjes gekocht, bij het afrekenen klopte ik op mijn zakken. Ik voelde mijn sleutels, mijn telefoon, de houder van mijn oortjes. Niet mijn pasjes.

Terwijl de caissière me vriendelijk bleef aankijken, tastte ik naar wat ontbrak. ‘Het is echt heel stom,’ recenseerde ik vast, ‘maar ik heb mijn pasjes thuis laten liggen.’

De boodschappen werden apart gelegd, waarna ik me bedacht dat ik mijn pasjes niét thuis had laten liggen. Ik was ze verloren. Daarop begon ik de winkel te doorkruisen.

Eerst volgde ik de looproute, daarna ging ik zigzaggen. De caissière was mogelijk aan het afwegen of ik een verward persoon was of gewoon verstrooid.

De pasjes zijn uit mijn ondiepe zak gevallen, dacht ik. Iemand in deze winkel heeft ze opgeraapt en in zijn zak gestoken. Maar ik kon moeilijk iedereen gaan fouilleren of zelfs visiteren.

Uiteindelijk toch maar op de fiets, misschien was ik ze tóch vergeten. Tijdens het fietsen drukte er iets tegen mijn been. Nu klopte ik niet op de ondiepe broekzakken, maar op het zakje met rits eronder. Mijn pasjes, ze waren er nog.

Opluchting was er niet. Het beeld dat ik mijn pasjes kwijt was, was sterker dan de wetenschap dat ik ze gevonden had. 

JAVAKADE (16 SEPTEMBER)

Gisteren liep ik over de Javakade en iemand fietste voorbij en vroeg, zonder vaart te minderen: ‘Is dit de Javakade?’ en ik wou bevestigend antwoorden, maar onlangs vroegen twee backpackers mij of camping Zeeburg rechtdoor was en het antwoord leek in de vraag besloten te liggen, dus ik antwoordde: ‘Ja, rechtdoor,’ maar toen ze uit het zicht waren bedacht ik me dat camping Zeeburg volstrekt de andere kant op was, dus gisteren op de Javakade begon het bij mij bovenin ineens te haperen, want wás dit wel de Javakade, en toen ik die schijnbaar gordiaanse knoop eindelijk had ontward en klaar was om dat hele kleine woordje uit te spreken dat al die tijd al in mijn mond besloten lag, was de fietser te ver weg om mij nog te kunnen horen: er zal een straatnaambordje geweest zijn dat de informatie gaf die ik allang had kunnen geven (of gewoon Google Maps).

CLIËNT (11 SEPTEMBER)

Altijd leuk om rapportages over je eigen geestelijk welzijn te lezen. Al is leuk het woord niet, ik bedoel eigenlijk: extreem confronterend.

‘Ongeveer vier jaar geleden is de cliënt gediagnosticeerd met een stoornis,’ staat er in een pdf die ik net heb ontvangen. Omdat het in de derde persoon is geschreven, heb ik moeite om mezelf erin te herkennen. We lijken gezamenlijk naar een ander te wijzen: ‘De late diagnose heeft impact gehad op de cliënt.’

Sowieso heb ik wel moeite met het woord cliënt. Ik ben een cliënt van mijn banketbakker en van mijn boekhouder, maar als het op zorg aankomt voel ik me toch vooral patiënt.

Het Latijnse woord patientia betekent lijden, maar ook rustig afwachten. Geduldig wacht ik op oplossingen waar mijn zorgverleners mee komen om verlichting te vinden voor mijn geestelijke nood.

POOT (6 SEPTEMBER)

Na de laatste drukproef van het nieuwe boek kwam de allerlaatste drukproef. Ook die ben ik weer minutieus gaan doorspitten. In de vorige ronde kwam ik met 542 correcties, nu ben ik over de helft en zit ik op 40. Kortom: bijna af.

Na maandag gaat het naar de drukker. Dan van drukker naar distributeur en van distributeur naar boekwinkel. Hopelijk dan van boekwinkel naar lezer en dat het daar niet als steun dient om de kapotte poot van het bed te vervangen, maar wordt gelezen.

Ik heb daadwerkelijk een stapeltje boeken onder mijn bed liggen dat een kapotte poot vervangt. Nooit zal ik vertellen welke romans het betreft, ik wil andere schrijvers niet kwetsen. Wel kan ik zeggen dat ik vannacht heerlijk heb geslapen: met dank aan mijn collega’s.

JULIAN (5 SEPTEMBER)

Gisteravond stond mijn zoon Julian in de halve finale van het NK Poetry Slam. Poetry slams zijn wedstrijden gedichten voordragen. Het zijn afvalraces met een uiteindelijke winnaar en gisteren was Julian een van de winnaars: hij staat op zaterdag 21 september in de finale.

Plaats van handeling was café de Bastaard in Utrecht, dat afgeladen was met vooral jonge toeschouwers. Die gingen op woensdagavond dus niet thuis netflixen, maar naar de kroeg om dichters te zien voordragen. Dat stemde me gelukkig.

Wat me het allergelukkigst stemde was natuurlijk de prestatie van Julian. Die behalve uit winnen uit nog iets anders bestond: deze man van 24 gaat helemaal zijn eigen weg. Hij is kwetsbaar én sterk, sprokkelt zijn eigen taal bij elkaar, durft aan de wereld te laten zien wie hij ten diepste is. Daar kunnen veel mensen wat van leren. Wat is hij prachtig.

800000002567933357 (4 SEPTEMBER)

Ik moet een rekening betalen. Daarbij horen een rekeningnummer en een betalingskenmerk. Het betalingskenmerk is 800000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000002567933357.

Er staan niet echt zó veel nullen, maar het zijn er wel veel.

In werkelijkheid is het betalingskenmerk: 800000002567933357. Maar het voelt als 800000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000002567933357.

Waarom bedenken mensen als betalingskenmerk: 800000002567933357?

Waardoor ik op de rekening met een potlood elke nul moet doorstrepen die ik reeds op mijn mobiel bankieren-app heb ingetoetst, opdat ik niet een nul te veel of te weinig invul.

Wie verzínt zoiets? Iemand toch, iemand is er verantwoordelijk voor. Geef me namen en rugnummers. Zoals ik het op de snelweg haat als na een lange tijd de stilstaande rij auto’s vanuit het niets weer gaat rijden: wie of wat heeft de file veroorzaakt?

Ik wil het weten.

BAKFIETS (28 AUGUSTUS)

Ik liep over straat en het was onvermijdelijk dat ik op een gegeven moment de hoek om ging, letterlijk dan, want straten lopen niet oneindig lang door, ze vertakken zich als gedachten, en de hoek om ging ik, en daar naderde vanuit tegenovergestelde richting een man op een elektrische bakfiets, die de bocht op volle snelheid aansneed zonder zich te bedenken dat er weleens iemand aan zou kunnen komen van de andere kant, zoals ik in dit geval, en nog juist kon hij uitwijken, waarna hij mij toewierp: ‘Kun je niet uitkijken?!’ en ik ’m met mijn wijsvinger nawees en iets naars toewenste, maar niets levensbedreigends hoor, want misschien had hij gewoon zijn dag niet, en ik heb ook weleens mijn dag niet, al kijk ik wel altijd goed uit in het verkeer en snijd ik bochten nooit op volle snelheid aan: altijd hou ik in, hou ik in, hou ik in.

DOPE (15 AUGUSTUS)

Soms probeer ik het aantal gedachten dat ik heb te tellen. Het lijkt me fijn als je weet: op dit moment denk ik aan 17 dingen. En dat je die vervolgens allemaal kunt opnoemen. Al zijn het er eigenlijk 18, omdat je denkt over de 17 dingen die je denkt.

Op mijn bureau staat een potje met pillen. Als ik er daar een van neem, denk ik als het goed is niet meer aan 17 dingen. Ook niet meer aan 117 dingen. Zeker niet aan 1117 dingen.

Dankzij de pillen wordt de werking van dopamine minder en dopamine is de boodschapper in je hoofd die ervoor zorgt dat zenuwcellen met elkaar communiceren. Ik heb zoveel dope in mijn hoofd dat de stoom uit mijn oren komt en vandaar die pillen.

Ik heb het potje gisteren bij de apotheek gehaald en nu kijk ik ernaar. Het staat daar maar. Ik open het potje nog niet, laat staan dat ik er al iets uitneem. Laat staan dat ik al iets in mijn mond stop. Laat staan dat ik al iets doorslik.

GELUID (14 AUGUSTUS)

Geluid, wat ben je hard. Wat ben je snerpend. Door merg en been ga je. Vindt ruimte tussen mijn botten om je te nestelen.

Was je maar weg, maar dat heeft net zo weinig zin als de zon wegwensen. Daar gaat ie niet minder van schijnen. Eerder doordringender, omdat je je bewust wordt van iedere straal.

Geluid, je zult de hele dag wel voortduren. Ze zijn bij de buren een garagedeur aan het vervangen. Er moeten oude schroeven uit en nieuwe in. Spouwlatten moeten worden aangebracht, sluitnaden worden ingemeten. Geen idee waar ik het over heb, dit komt boven als je googelt op garagedeur monteren.

Ik zal in de komende uren proberen me niet aan je te storen en me toch aan je storen. Ik zal een koptelefoon met noise cancelling opzetten die niet helpt. Het snerpen zal iets draaglijker worden. Iets minder ondraaglijk. Nog altijd te zwaar.

DRUKPROEVEN (12 AUGUSTUS)

Iedereen is op vakantie en wie niet op vakantie is ligt de hele dag te bakken op het zwemsteigertje bij mij om de hoek. En wie niet op vakantie is én niet de hele dag ligt te bakken op het zwemsteigertje bij mij op de hoek, die is dag in dag uit de drukproeven van zijn nieuwe boek aan het checken.

Zo zien mijn dagen er al een tijdlang uit: half zeven opstaan, met Nina een lange wandeling maken, blog schrijven, drukproeven checken, lunchen, drukproeven checken, met Nina een korte wandeling maken, drukproeven checken, eten, drukproeven checken, kort laatste rondje met Nina, slappe serie kijken, slapen.

Dat gaat zo nog even door en dan zijn alle drukproeven gecheckt en dan ga ik ook maar eens een dagje bakken op het zwemsteigertje bij mij om de hoek. Al is het weer tegen die tijd waarschijnlijk omgeslagen. Ga ik daar tóch gewoon liggen. Wind, kou, regen, niets houdt me tegen.

FOTOKOPIE (9 AUGUSTUS)

Gust Gils dichtte over een wereld waarin alle mensen fotokopieën zijn geworden en er geen behoefte meer is aan originelen. Het is een gedicht dat onder mijn huid is gaan zitten.

Dit roepen zijn woorden bij me op: als ik niet waarachtig leef en de wereld niet waarachtig is, is er op zich geen probleem. De wereld is nep en ik ook: dat gaat prima samen.

Maar ik schreef op zich (als ik iemand vraag of hij naar een voorstelling van mij komt kijken en hij zegt: op zich wel, dan weet je dat er iets mis is). Want het lukt me niet om de hele dag als een fotokopie te leven. Te faken, mee te racen. Mee te bewegen.

Soms hou ik dat niet meer vol. Moet het ineens toch écht en oprecht zijn. Ik kán niet op vakantie naar een resort met bedjes langs het zwembad. Want mensen gaan daar heel vroeg in de ochtend handdoekjes op leggen: deze zijn bezet. En iedereen doet eraan mee, kopieert dat gedrag. En ik kan dat niet en kan het ook niet laten. Zie geen andere optie dan naar zo’n bedje te lopen en de handdoek die erop ligt in de bosjes te gooien. Pontificaal op zo’n bedje te gaan liggen en als iemand verhaal komt halen: opstaan. Afwachten wat de ander doet. Daarop reageren.

WELKOM (8 AUGUSTUS)

Hans Plomp is dood. Hij heeft zijn stoffelijk omhulsel afgelegd. Zijn ruimtepak dat ’m ooit paste, maar nu knelde als een keurslijf.

Het afleggen van een omhulsel, een ooit passend ruimtepak, het zijn woorden van Hans zelf, uit een gedicht getiteld: Laat mij, dat zo eindigt:

Kom, raak me nog een keer aan,
laat me dan gaan
uit dit bestaan.

Dit zou zo over hem kunnen gaan, maar het is een al wat ouder gedicht, opgedragen aan een vriendin die eerst een auto-ongeluk had gehad en toen ze eindelijk hersteld was van haar verwondingen kanker kreeg.

Ik typte trouwens per ongeluk verwonderingen. Dat een vriendin was hersteld ‘van haar verwonderingen’. Een fraaie verhaspeling. Hans Plomp is nooit van het verwonderen hersteld. Zeven jaar geleden maakte ik een podcast met ’m in en rond zijn huis in het dorpje Ruigoord (hier te beluisteren en naar aanleiding van het verschijnen van deze bundel) en de levenslust klotste tegen de plinten.

Destijds vertelde hij me dat hij nog regelmatig contact had met collega-dichter Simon Vinkenoog. Die was acht jaar eerder overleden, maar kwam geregeld nog even buurten. En nu ben ik dus benieuwd bij wie Hans Plomp na zijn dood nog op bezoek zal gaan. Als je maar weet dat je altijd welkom bent.

POSEREN (6 AUGUSTUS)

Vanochtend was ik bij een collega-dichter op bezoek die niet graag wordt gefotografeerd. Dat is een eufemisme, ze trekt nog net niet de camera uit iemands handen.

Ze haat het om te poseren, om op een ingestudeerde manier in de lens te kijken. Het is niet echt, maar moet wel echt lijken.

Ik had wel een foto van haar nodig, voor een project waarover ik later meer zal vertellen. Dus had ik een fotograaf meegenomen die het adagium van Diane Arbus huldigt: I don't like to arrange things. If I stand in front of something, instead of arranging it, I arrange myself.

Poseren betekent: ‘een lichaamsstand aannemen’. Het model kan dat doen, de fotograaf zelf net zo goed.

PUBLICEREN (5 AUGUSTUS)

Een foto van een paperclip
laat het gewicht verdwijnen.

schreef K. Schippers en zo maak ik de zwaarste, meest beschamende zaken in mijn leven lichter door erover te publiceren.

Ik heb het met opzet over publiceren, niet over schrijven. ‘Van je afschrijven’ bestaat niet. Integendeel, erover schrijven is als in een vlek wrijven: het wordt erger.

Publiceren helpt wel. Dan krijg je reacties van mensen die diezelfde zwaarte ervaren en die draag je dan ineens samen.

Zo publiceerde ik zaterdag een essay in NRC over naar de wc gaan (en dan bedoel ik: écht naar de wc gaan) en mijn hoofd tolt nog na van alle lieve, leuke mailtjes en dm’s die binnenkwamen. Erover aangesproken worden in de supermarkt was enigszins ongemakkelijk, maar toch niet onplezierig.

Naar de wc gaan is een doodgewone handeling, die in mijn leven toch zorgt (en nu komt er een woordgrapje) voor de nodige druk. Mijn hond Nina voelt die gêne niet. Zij gaat op klaarlichte dag midden in het park in de hurkstand staan en perst eruit wat eruit moet. Daarna rent ze in het rond, zichtbaar opgelucht vanwege de last die van haar is afgevallen. Was ik maar zo, denk ik dan, maar zo ben ik niet.

CHAISE LONGZIEKTE (1 AUGUSTUS)

Niet of nauwelijks geslapen vannacht. Ja, wat is het nou: niet of nauwelijks?

Ik was in arren moede maar in de woonkamer gaan liggen. Op de chaise longue. Overigens wil autocorrect van dat tweede woord steeds ‘longziekte’ maken.

Ik deed even mijn ogen dicht. Toen ik ze opende was het licht.

Ik moet dus even zijn weggedommeld. Op de chaise longziekte, slechts gekleed in een onderbroekje, voor de overburen vol in het zicht.

WEL VOOR MIJ (31 JULI)

Sinds maart woon ik om de hoek bij een populaire zwemsteiger. Weer of geen weer, elke morgen trekken buurtbewoners er hun baantjes. Als ik erlangs loop met mijn hond voor de eerste wandeling van de dag denk ik: ‘Leuk. Maar niet voor mij.’

Op warme dagen liggen mensen er te bakken als rollades. Tussendoor springen ze het water in. Ook nu weer diezelfde gedachte: ‘Leuk. Maar niet voor mij.’

Alsof de zwemsteiger een vip-ruimte is, een attractie waar je voor moet bijbetalen. Gisteren zei mijn geliefde: ‘Ik weet niet wat jij gaat doen, maar ik ga een duik nemen.’ En toen ze de hoek om was, dacht ik: wél voor mij! Wél voor mij!

In mijn zwembroek gehesen en op een drafje achter haar aan gegaan.

YEAH, YEAH, YEAH (28 JULI)

Vandaag is de laatste dag dat ik nog iets aan het boek kan veranderen. Morgen stuur ik het manuscript naar mijn uitgever en gaat de zetter aan het werk. Die maakt de tekst op en zorgt dat alles klopt. Dat je, om maar iets te noemen, niet een pagina overhoudt met maar één of twee woorden erop.

Om er een goed boek van te maken, heb ik alles gegeven. Maar wat is alles?

Ik heb hard gewerkt, maar het kan altijd harder.

Ik heb een stemmetje in me dat zegt dat je pas echt hard genoeg hebt gewerkt als je eraan onderdoor bent gegaan. Maar ik sta nog. Yeah, yeah, yeah.

PARELTJES (23 JULI)

Nog een week en dan is mijn boek af. Dat wil zeggen: dan is het ‘persklaar’ en kan het naar de zetter. Snel daarna weten we ook hoe dik het wordt. Het gaat natuurlijk niet om het formaat, maar als je je boek Het Grote Autismeboek noemt schept dat verwachtingen.

Ik heb zeker een kwart weggegooid van het materiaal dat ik had. Altijd een fijne gedachte dat er meer was, maar vanwege een hoge lat door mij al backspacend werd afgeslacht.

Schrijven is schrappen. Pas stuurde iemand me ongevraagd een manuscript toe met de vraag of ik het kritisch wilde lezen. Ik haalde zoveel woorden door dat er slechts twee zinnen overbleven. ‘Dat zijn twee mooie zinnen,’ stelde ik opgetogen vast.

‘Maar ik had vijftigduizend woorden.’
‘Dat waren negenenveertigduizendnegenhonderdzeventig lelijke woorden. Nu heb je dertig pareltjes. Koester ze.’

IETS VAN (21 JULI)

Ik had eerst geen zin om de reportage in NRC te lezen over het leven in een afkickkliniek in Weert. Het is iets van elf jaar geleden dat ik stopte met drinken. ‘Iets van’, want ik weet niet precies de datum waarop ik mijn laatste Westmalle atte. Ik vind het fijn dat ik dat niet weet, want nu lijkt het oneindig lang en ik ben verzot op oneindigheid. Het is een lege plek om te blijven.

Ik las de reportage toch en ben blij dat ik het deed, want nu weet ik dat iets van elf jaar weliswaar een lange tijd is, maar dat ik toch scherp moet blijven. Omdat ik de beweegredenen van de mensen die in de kliniek waren opgenomen nog feilloos begreep.

De 26-jarige Anke: ‘Het heeft lang geduurd voordat het besef kwam dat ik geen één middel met mate kan gebruiken.’ Dat weet ik al jaren, maar ik vergeet het steeds weer.

Precies dat is het probleem: dat je vergeet wat je hebt geleerd. En als onbeschreven blad ben je rijp voor een terugval.

STONED (20 JULI)

Stoned ben ik. Niet van de hasj, maar van het hardlopen.

De laatste weken was het niet naar wens gegaan. Elke keer als ik iets van 6 kilometer had gerend, was ik uitgeput en gaf ik er de brui aan. Ging ik de rest van het rondje wandelen, liep ik daar.

Vanochtend besloot ik het rondje in delen op te delen. Steeds probeerde ik één stukje af te leggen en steeds lukte het en zo liep ik vanochtend twaalf runs in plaats van één, maar zonder tussendoor te stoppen, dus was het toch een geheel.

En nu ben ik stoned en high en in de wolken. Niet van de hasj, maar van het hardlopen.

Ik had mijn afspeellijst op shuffle gezet en halverwege was een liedje voorbij gekomen dat ik een jaar geleden hoorde bij een plechtigheid ter nagedachtenis aan iemand die ik nooit heb ontmoet. Maar vanochtend toch ben gaan herdenken.

GELUK (19 JULI)

Ik word niet gelukkig van me de hele tijd afvragen of ik gelukkig ben.

Ik word niet gelukkig van het feit dat ik niet weet wat gelukkig zijn precies betekent.

Ik word niet gelukkig van het feit dat ik een aanzienlijk deel van de tijd niet gelukkig ben. Ook niet ongelukkig, maar ertussenin, daar in dat grijze, zompige midden.

Ik word niet gelukkig van momenten waarop ik gelukkig ben, omdat ik me dan realiseer dat geluk tijdelijk is en dat het zo dadelijk dus alweer ophoudt.

Ik word niet gelukkig van het moment dat het geluksgevoel weg is, omdat je nooit weet wanneer je het wéér voelt. Of dat moment überhaupt nog komt. Of dat het hoogtepunt van je leven inmiddels achter je ligt.

Soms denk ik weleens dat het hoogtepunt van mijn leven mijn geboorte was. Iedereen ging om mij heen staan en zag hoe ik met mijn dikke, gelukzalige babyhoofd naar de mobiel boven de box lag te kijken, die ronddraaide en ronddraaide. En ik dacht dat het nooit zou ophouden: al die blije mensen rondom mij én het draaien van die mobiel. Maar het hield op, voor ik het wist was ik volwassen, verhuisde ik naar Amsterdam, waar ik in de poep trapte en toen ik mijn schoenzool inspecteerde omver werd gelopen door iemand die in plaats van zijn verontschuldigingen aan te bieden, de schuld bij mij legde: ‘Kun je niet uitkijken!’

Ik word niet gelukkig van dat ik schrijf dat ik soms niet gelukkig ben en dat mensen me dan gaan bellen of whatsappen: Gaat het wel? Kan ik iets voor je doen? Zal ik langskomen? Zal ik soep voor je maken?

Het mooiste liedje over geluk dat ik ken, heet Happiness en is van Jónsi & Alex. Het heeft geen tekst.

LANGSKOMEN (15 JULI)

Soms vraagt iemand of ik langskom. Dat neem ik natuurlijk weer letterlijk: ik zie voor me hoe ik met gezwinde spoed langs iemands voordeur loop en weer naar huis. Maar met langskomen wordt natuurlijk bedoeld: binnenkomen.

‘Goed je te zien’ roepen. De ander op de schouder slaan. Je de hand van de ander op jouw schouder laten welgevallen. ‘Lekker’ antwoorden als iemand vraagt of je koffie wilt. ‘Lekker’ antwoorden als iemand vraagt of je er een stroopwafel bij wilt. ‘Lekker’ antwoorden als iemand vraagt of je nóg een kopje koffie wilt.

‘Wat naar’ zeggen als de ander vertelt over zijn rugproblemen. Herinneringen ophalen aan je eigen rugproblemen, zo- en zoveel jaar geleden. Bezweren dat het heel vervelend is, maar ook weer voorbijgaat. Waarop de ander ja knikt: ja, het gaat weer voorbij.

Naar de wc gaan en op de verjaardagskalender zien dat je er niet op staat. Vergeefs naar een pen in je binnenzak grijpen.

GAT (13 JULI)

Gisteren zat ik lekker te graaien in m’n zak met Provençaalse mix, toen ik ineens iets los voelde komen in mijn rechterbovenkaak. Zoals bij alle lichamelijke signalen dacht ik eerst dat het niets was.

Tot ik op iets hards beet dat geen macadamia was, geen pecannoot, geen pepitapit. Het was driekwart deel van een kies, dat ineens was afgebroken.

Ik keek ernaar terwijl ik het omhoog hield in mijn hand. Voelde met mijn tong de weerstand die ontbrak. Keek in de spiegel, opende mijn mond en zag het gat.

Raar dat iets wat er niet meer is zoveel ruimte in kan nemen.

WATERLICHAAM (29 MEI)

Ik liep over de Schellingwouderbrug en zag het brugwachtershuisje. Er zat verduisterende folie op de ramen, waardoor je de brugwachter bijna niet zag.

Die zat maar een beetje voor zich uit te kijken, maar misschien is dat wel een heel belangrijke taak, ik wil niemand tekort doen. Al moet gezegd worden dat ik aan beide kanten geen schip zag naderen, maar er is wel meer wat ik niet zie. Het halve leven gaat aan mij voorbij: ik loop continu achter de feiten aan, maar krijg ze nooit te pakken.

Niets liever wil ik dan af en toe op de stoel van die brugwachter zitten. Achter de verduisterende folie, uitkijkend over het IJ. Dat is een waterlichaam, ik zou ook een waterlichaam willen hebben. Dat helder is en met alles meebeweegt.

BRIEFJE VAN 10 (24 MEI)

Ik had vier briefjes van tien. Die had ik los in de rechterzak van mijn trainingsjack gestopt, bij mijn telefoon. Handig.

Ik liep op straat, telefoon. Rits open, toestel uit mijn zak pakken, opnemen. Gedachteloos telde ik met mijn vrije hand de biljetten: 1, 2, 3. Huh, waar was de vierde?

Om me heen kijken, nergens vloog een briefje. Maar had ik nou in een ooghoek iemand achter me heel snel omhoog zien komen en weg zien lopen? Of verbeeldde ik me dat?

Enkele malen om mijn as draaien, alleen maar mensen met pokergezichten. Nog eens tellen: het vierde biljet bleef ontbreken. Wat moest ik doen, mensen aanspreken: ‘Heeft u misschien net een briefje van 10 opgepakt?’

En wie zou ik aanspreken: die mevrouw in dat mantelpakje met die parelmoeren ketting? Of toch de man die net een halve liter zwaar bier aan zijn mond zette en nu alle kanten opkijkt behalve de mijne? Wat hem verdacht maakt, maar nog niet schuldig.

IETS DOEN (21 MEI)

James Salter schreef: ‘Weinig belangrijke boeken zijn geschreven met de bedoeling belangrijk te zijn. Ze zijn het geworden.’

Elk boek dat ik publiceerde, moést er komen. Zodra het er was voelde ik een weldadige rust over mij komen.

Of het boek iets deed, was een tweede. De vraag is ook wat dat betekent, ‘iets doen’.

Uitgevers proberen hun onzekere auteurs vaak moed in te praten door ze in het oor te fluisteren: ‘Dit wordt ’m!’ Je ziet de ander groter worden.

En weer kleiner, als het boek niets doet.

WOORDEN (22 MEI)

Gisteren liep ik met Nina over straat, minding my own business. Twee mensen liepen recht op ons af, gedienstig deden we een paar stappen opzij. Waarop een van de twee me strak aankeek en zei: ‘Ik ben allergisch, dus hou die hond bij je.’

Dat vond ik een rare opmerking, dus antwoordde ik: ‘Maar ik hoú de hond al bij me.’ Waarop de man zei: ‘Wát zei je?’ Waarop ik mijn stem iets verhief: ‘Ik hoú mijn hond al bij me. Dus je hoeft op zich niet te zeggen dat ik mijn hond bij me moet houden.’

Ik had ook niets kunnen zeggen, maar dat is heel vaak zo. Ik zég ook heel vaak niets en dan denk ik achteraf: had ik maar iets gezegd.

Volgens onderzoek spreken mensen per dag tussen de zes- en zestienduizend woorden uit. Interessanter zou ik het vinden om te onderzoeken hoeveel woorden mensen per dag inslikken. In mijn geval moet dat in de miljoenen lopen.

HET TEGENOVERGESTELDE VAN EEN VERZAMELAAR (19 MEI)

I remember the cities I have never seen
exactly.

- Derek Walcott

Veel gereisd heb ik niet, maar wel meer dan mijn grootvader. Die werd geboren in Den Oever, groeide op in Den Oever en is er doodgegaan. Soms fietste hij naar het Robbenoordbos, een enkele keer ging hij varen met vrienden, helemaal tot aan Franeker. Verder is hij nooit gekomen.

Veel gehuild heb ik niet, maar wel meer dan mijn grootvader. Die huilde nooit, voluit lachen deed hij ook nooit. Boos kon hij wel worden, bijvoorbeeld als je aan z’n sigarenbandjesverzameling zat.

Ik ben het tegenovergestelde van een verzamelaar: ik gooi alles weg. Ook dingen die ik had willen houden. De spijt voelt niet fijn, maar wel écht.

Ik weet nog dat ik mijn grootvader vertelde dat ik ging verhuizen. Hij vroeg: ‘Maar je hébt toch al een huis?’

ZEVENTIEN UUR (18 MEI)

Alex Kroes, de teedee van Ajax, zegt zeventien uur per dag te werken. Ik heb advocaten en bankiers in mijn vriendenkring die zich ook op dat soort werktijden beroepen, maar het leeuwendeel van die tijd gaat op aan lunchen, in vliegtuigen zitten en brainstormen. Zo beschouwd werk ik ook zeventien uur, of zelfs vierentwintig: in mijn dromen kom ik tot mijn beste ideeën.

De nieuwe roman van Lammert Voos heb ik nog niet gelezen, maar ik dacht net wel aan een van zijn gedichten, ‘Onbewogen’ (uit de bundel Klaai, De Contrabas, 2008):

De televisie staart met
achteloze beelden licht
schijnend op mijn onbewogen gezicht.

Met ogen dicht daal ik af
en bij het zwakke flikkeren van
een duister licht aanschouw ik
het trage deinen van mijn ziel.

Míjn ziel deint in de nacht het traagst. Mits de demonen in hun holen blijven verscholen.

ASS-LIEDJES (1) (16 MEI)

Soms hoor ik muziek die ik onmiddellijk met autismespectrumstoornis (ass) associeer. Ik noem het: ‘ass-liedjes’.

Introspection van Thelonious Monk is voor mij zo’n typisch ass-liedje. Volgens een artikel in The New York Times is het zijn minst populaire nummer. Geheel in lijn met de autismepercentages, schat ik in dat gemiddeld 1 procent van de luisteraars de muziek van Monk zal waarderen.

Introspection is op een atypische manier melodieus. ‘Atonaal’ dekt de lading niet, omdat de tonen toch ook steeds weer samenvloeien. Het begin is heel even opgewekt, monter, vol goede zin. Dan valt alles in duigen, op het klavier en gegeven de titel ook in het hoofd van de meester. Zoals ik elke dag ook vol goede zin begin, tot dat optimisme door tal van prikkels van buitenaf hardhandig de kop wordt ingedrukt.

Philip Larkin noemde Monk ‘an elephant on the piano’. De olifant is een van mijn lievelingsdieren.

AUTHENTIEK (14 MEI)

Als mij tijdens een interview een vraag wordt gesteld, en het is nogal waarschijnlijk dat dat gebeurt, het is het hele wezen van een interview: vraag, antwoord, vraag, antwoord - maar als mij dus een vraag wordt gesteld, antwoord ik altijd eerlijk. Maar niet altijd authentiek.

De vragen die mij worden gesteld, zijn mij doorgaans vaker gesteld. Aan alle vragen die mij zijn gesteld bewaar ik een passieve herinnering. Ik zou er nu geen een kunnen noemen, maar zodra je me er een stelt weet ik of hij me al eerder is gesteld.

Zo’n zelfde passieve herinnering heb ik aan de antwoorden die ik eerder op die vragen heb gegeven. Ik herinner me ook wat ik achteraf van die antwoorden vond. Hoe ik ze later in de auto terug naar huis bijstelde, ook al kon ik niet teruggaan in de tijd om het interview opnieuw te geven. Maar de volgende keer dat een soortgelijke vraag mij werd gesteld, gaf ik een verbeterde versie van het oorspronkelijke antwoord.

Elke keer als me een vraag wordt gesteld, rubriceer ik ’m en overzie ik binnen een seconde welke antwoorden mogelijk zijn. Dan opent mijn mond zich en rolt er een antwoord uit. Ik weet hoe ik het antwoord moet geven, ik weet in welk tempo ik de zin moet uitspreken, ik weet hoe ik erbij moet kijken om de woorden extra lading te geven. En wat ik zeg is eerlijk. Niets is gelogen. Is het ook authentiek? Nee.

VERTROUWEN (11 MEI)

Soms is het leven te groot om over te schrijven. Of te klein. Hoe dan ook past het niet.

Ik probeer wel om het te laten passen. Duw en wrik, duw en wrik. Hoe langer ik het probeer, hoe verbetener.

Ik verbind mijn mobiele telefoon met mijn computer om ’m op te laden. Meteen een mededeling op het scherm: ‘Vertrouw je deze computer?

Al minutenlang denk ik na over het antwoord op die vraag.

GERESERVEERD (10 MEI)

Mijn geliefde heeft een bordje op onze eettafel gezet met daarop het woord: ‘Gereserveerd’. Het bordje doet me denken aan restaurants van vroeger, met flesjes Maggi op tafel en dat je dan uitschoot: heel je soep onder de umami.

Het bordje bevalt me. Dit is onze tafel. Hij staat in ons huis. Ik deel de tafel met liefde met anderen, bij wijze van spreken mag iedereen aanschuiven. Maar het blijft ónze tafel.

Een mens wil iets bezitten om te logenstraffen dat hij uiteindelijk met lege handen staat. Doodgaat, met niets meer om aan vast te houden dan zijn laatste, nietige ademteug.

Soms vinden mensen mij gereserveerd. ‘Jij kijkt eerst de kat uit de boom,’ zeggen ze dan, wat ik wel eens letterlijk heb geprobeerd, maar dat rotbeest bleef gewoon zitten.

DE PEUL (7 MEI)

Gisteravond werd Inside Aut voor de laatste keer vertoond, de documentaire van Isabelle la Poutré over haar zoektocht naar een naam voor de kluwen in haar hoofd.

Na een diagnostisch onderzoek kwam die naam er: autisme. Het label loste niet meteen iets op, maar er was in ieder geval een woord. Iets waar je naar kunt verwijzen als het weer eens kansloos vastloopt daar bovenin.

‘Schäl dich komm schäl mich/aus meinem Wort’, dichtte Paul Celan. Autisme is de peul en de ik is het erwtje dat je eruit moet peuteren. Dat gaat niet vanzelf, want in de peul is het donker, maar veilig.

Na afloop van de film stond ik een beetje na te mijmeren, tot ik erachter kwam dat er een man op zo’n 30 centimeter afstand stond te wachten tot ik was uitgemijmerd.

Pas toen ik ’m aankeek, begon hij zacht te praten. Waar het om ging, was die beleefdheid. Hij wachtte met praten tot ik de peul had geopend, en verlaten.  

1-1 (3 MEI)

Gisteren was ik onderweg naar het autisme-expertisecentrum. Ondanks het mooie weer had ik bedacht met het ov te gaan in plaats van met de fiets. Daar had ik, staand in het beweegbare tussendeel van de overvolle harmonicabus, al na de eerste bocht spijt van.

Steeds moest de bus stoppen. Iemand was zijn groene rolcontainer aan het schoonspuiten, midden op straat. Een troep ganzen blies vervaarlijk tegen iedereen die hen van de weg probeerde te krijgen. Een Uber-chauffeur stond geleund tegen de kofferbak van zijn dubbel geparkeerde wagen ogenschijnlijk gedachteloos te vapen.

Op momenten dat de bus enigszins vaart kon maken, dacht ik: ik kom op tijd. Op momenten dat hij weer eens vol in de remmen moest, dacht ik: ik kom te laat. Alle gemoedstoestanden kwamen voorbij: hoop, wanhoop, verdriet, woede, rouw, gelatenheid, en dan weer terug naar hoop.

Ik was op tijd. In de wachtkamer zette ik een bekertje op het smalle plateautje van de waterdispenser en drukte op de knop. Het bekertje liep vol en werd topzwaar: het kieperde voorover op de grond. Qua dingen die lukken en mislukken, was de stand nu 1-1.

FLAAAAUW (1 MEI)

Mensen met autisme verwerken informatie anders. Prikkels komen harder binnen of juist zachter. Sociale situaties ogen al snel complex. En omdat alles binnenkomt zijn ze vaak moe. Maar ze moeten dóór.

Mensen zónder autisme zeggen soms dat ze zelf misschien ook wel iets autistisch hebben. Soms vragen ze het me: ‘Denk je dat ik misschien ook autistisch ben?’ Dat weet ik dan niet, ik weet niet eens zeker of ík het ben.

Wel heb ik een pdf-document met daarin mijn diagnose. Ondertekend door twee GZ-psychologen. Hun diagnose is echter vastgesteld op basis van waarnemingen en vragenlijsten. Voor hetzelfde geld hadden de psychologen hun dag niet. Of heb ik gedaan alsof.

Al schijnt het hebben van die twijfel typisch iets voor autisten te zijn. Maar ja, er schijnt zoveel. Ik zal maar niet schrijven: mijn zaklamp, want veel mensen vinden woordspelingen flauw. Flauw, zeggen ze dan, waarbij ze de a als een elastiek uitrekken. Flaaaauw! Flaaaauw!

DIE IS (29 APRIL)

De oplossing voor alles is: niets. Wat lawaai tegengaat is: stilte. Ik kan niet meer: maak het minder.

Steeds vaker maak ik wandelingen waarbij de koptelefoon om mijn nek blijft. Hij gaat niet op. Ik kan geen podcasts verdragen: nóg meer verhalen. Niet nóg meer liedjes waarin zangers de hoogste noten halen.

Ik zit vol. Vol betekent: helemaal gevuld. Helemaal is een synoniem van: totaal.

Grappig wel dat niets de oplossing is. Volgens UNESCO worden er elk jaar wereldwijd 2,2 miljoen boeken gepubliceerd. Zo- en zoveel procent daarvan zijn zelfhulpboeken (ik heb de puf niet om op te zoeken hoeveel, maar het doet er ook niet echt toe. Dat cijfer van 2,2 miljoen, daar had net zo goed ‘1,9 miljoen’ kunnen staan. Getallen, woorden… ze gaan langs me heen als douchewater).

Maar wat ik dus wou zeggen, is dat het grappig is dat niets de oplossing is. Terwijl er elk jaar zo- en zoveel zelfhulpboeken verschijnen met daarin veel ingewikkelder oplossingen. Allerlei therapieën heb ik achter de rug, om er uiteindelijk achter te komen dat wat voor mij het beste werkt is om op een verlaten strand langs de branding te gaan zitten, nog wel net op het droge stukje, zodat mijn kont niet nat wordt, en dan door mijn oogharen naar de zee te kijken. Die is, die is, die is.

FEEST (27 APRIL)

What will happen now? Everyone's gone to the moon.
There's nobody left. Everyone's gone to the moon.

- Nina Simone

Vanmorgen vroeg liep ik door Amsterdam. De hele straat was afgeplakt, maar er lagen nog geen kleedjes. Geen kind speelde al op de dwarsfluit. Geen broodje kebab lag al te verpieteren. Geen toerist stond al wankelend in de gracht te wateren.

Wie Koningsnacht had gevierd, lag zijn roes uit te slapen. Zelf was ik al om tien uur naar bed gegaan. Ik leef anticyclisch. Als iedereen feest, hou ik me gedeisd. Is het feest klaar, dan kom ik weer tot leven.

Eenzaam, kun je zeggen, maar ik voelde me een stuk eenzamer toen ik nog meefeestte.

DEADLINE (26 APRIL)

Volgende week woensdag is het 1 mei en dat is de volgende deadline voor mijn boek. Deadlines zijn voor mij heel belangrijk. Het zijn mijlpalen, ik wil ze halen.

Deadlines geven structuur en duidelijkheid, je hebt iets om naartoe te werken. Als mijn uitgever tegen mij zegt: ‘Lever je binnenkort je manuscript in?’ dan knik ik en ga ik netflixen. Als mijn uitgever tegen mij zegt: ‘Je moet nu echt op korte termijn je manuscript inleveren!’ dan beloof ik dat ik dat zal doen en ga ik netflixen. Maar als mijn uitgever tegen mij zegt: ‘Je moet het op 1 mei inleveren’, dan ga ik aan het werk en stop ik pas met werken als het 1 mei is.

Ik ben niet zo’n zielenpiet die op 1 mei om 23:59 uur op send drukt. Dat vind ik amateurisme. Inleveren op 1 mei betekent: ergens voor de lunch op 1 mei. Een precies tijdstip wil ik daar niet op plakken, het is een gevoel.

Iets op tijd inleveren maakt me gelukkig: het is volbracht. Mijn uitgever weet dat en stuurt altijd meteen een berichtje terug: ‘Goed gedaan, ik ga lezen!’ Maar je hebt ook mensen die op zo’n moment niks laten horen. Die voor kennisgeving aannemen dat het is ingeleverd.

De ergsten zijn mensen die reageren met: ‘Dank, ik kom er nu even niet aan toe, maar ik zal er volgende week naar kijken.’ Dan was de deadline dus volgende week.

AUTIPAS (25 APRIL)

Vijf jaar na mijn diagnose heb ik een Autipas aangevraagd en gekregen. Er staat op: Ik heb een vorm van autisme. Je krijgt ’m niet zomaar, je moet vragen beantwoorden, geld betalen en een kopie van de uitslag van je diagnostisch onderzoek meesturen.

Als ik een attractiepark bezoek en de kaart toon, hoef ik niet in de rij te wachten voor de achtbaan. Al is dat nou net weer iets wat veel autisten die ik ken wél heel goed kunnen: wachten.

De kaart is ook voor tijdens crisissituaties, bijvoorbeeld als ik plotseling in contact kom met de politie. Als die de qr-code scannen, kunnen ze lezen dat ze voordat ze tot actie overgaan mij eerst zo rustig mogelijk moeten uitleggen wat ze gaan doen. Daarna moeten ze controleren of ik de boodschap heb begrepen.

De vragen die ze me stellen moeten eenvoudig en eenduidig zijn. De informatie die me wordt verstrekt moet zo kort en bondig mogelijk zijn. Ik moet tijd krijgen om de informatie die me is gegeven te verwerken. En mij onnodig aanraken wordt afgeraden: Is aanraken onvermijdelijk? Kondig het dan eerst rustig aan.

Ik weet niet of de politie bij een crisissituatie onder de indruk is als ik mijn Autipas tussen duim en wijsvinger de lucht in houdt. Ik betwijfel of ze de qr-code gaan scannen en alle instructies tot zich gaan nemen. Wel weet ik dat ik aanrakingen een stuk beter kan verdragen als ik weet dat ze komen.

De reden dat ik de Autipas heb aangevraagd, is om fysiek bewijs te hebben van mijn autisme. Omdat ik 49 jaar zónder diagnose heb geleefd, heb ik nog best vaak twijfels. Heb ik het wel echt, stel ik me niet aan? Ben ik misschien gewoon een beetje overgevoelig?

Op dat soort momenten kan ik mijn Autipas tevoorschijn halen. Ik heb een vorm van autisme, staat op de achterkant. En op de voorkant staat mijn naam. Ik ben het. Ik héb het.

DE OVERIGEN (22 APRIL)

Bij het uitkomen van de vertaling van de DSM-5 in april 2014, is het woord lijdensdruk geïntroduceerd als de Nederlandse variant op het woord distress.

Psychiater Michiel Hengeveld, eind vorig jaar een van mijn gasten tijdens de Grote Autisme Talkshow, had de leiding over de vertaling van de DSM-5. In een interview met NRC op 12 april 2014 zei hij: ‘Distress is moeilijk te vertalen en is in Nederland nog geen gangbaar anglicisme. Maar het is een essentieel onderdeel van iedere stoornis, naast het disfunctioneren.’

Het voordeel van de DSM als classificatiesysteem, staat in datzelfde artikel in NRC, is dat er internationaal overeenstemming ontstaat over wat een psychische ziekte is. Het nadeel is dat er een scherpe grens wordt getrokken tussen gek en niet gek, terwijl dat in de realiteit genuanceerder ligt.

Een van de ongewenste gevolgen hiervan is dat psychiaters en psychologen cliënten nogal eens in de categorie ‘overig’ indelen. Zoals bij autisme: pdd-nos. De laatste drie letters staan voor ‘not otherwise specified’.

‘Nos’ staat niet meer in de DSM, maar de categorie ‘overigen’ is nog even groot als daarvoor. Sterker nog: misschien horen álle autisten wel in de categorie ‘overigen’.

MENSEN ZEGGEN DINGEN (18 APRIL)

Gisteravond trad ik op in het Paard, waar Benzokarim voor het laatst de Haagse editie van Mensen zeggen dingen presenteerde.

Nadat mijn naam was uitgesproken stond ik op, liep ik vanaf waar ik zat door de zaal naar voren, het trappetje op naar het podium. Iets van acht, negen stappen tot de microfoonstandaard.

Ik zei: ‘Goedenavond.’ Dat was ook meteen mijn soundcheck. De mensen zeiden ‘goedenavond’ terug. Tot zover de publieksparticipatie.

Daarna een stilte van wel acht, negen tellen voor ik met mijn voordracht begon. Zwijgend stond ik daar, met mijn bundel in mijn hand. Op de opengeslagen bladzijde het gedicht dat ik op het punt stond voor te gaan lezen.

Acht, negen tellen stilte is lang, maar er zijn al zo veel woorden op zo’n avond.

Belangrijk is om haar niet te benoemen. Niet te zeggen: ‘Dan komen er nu acht, negen seconden stilte.’

Ook niet áfkondigen. De stilte heeft geen woorden nodig. Die zijn zelfs in tegenspraak met wat ze is.

WIND (16 APRIL)

Ik woon op een schiereiland waar de wind vrij spel heeft. Vanmorgen vroeg was hij zo krachtig dat ik mijn best moest doen om vooruit te komen.

De wind hier doet iets met de mensen. Met hoe ze lopen: voorover gebogen, het hoofd naar voren als een rammei, beschermd door een denkbeeldig gewei.

Met de kapsels. Iedereen een coupe de la troupe. Ik ben opgehouden met proberen het in model te houden. De wind is mijn stylist.

Met de manier van praten. Mensen praten hier harder. Of ze zeggen niks. Toegeknepen ogen. Barse blikken. Tot de wind gaat liggen.

VERBEELDING (14 APRIL)

Op mijn Autipas staat dat ik een informatieverwerkingsstoornis heb die mijn gedrag beïnvloedt. Doordat ik informatie anders verwerk heb ik problemen met ‘sociale interactie, communicatie en verbeelding’.

Dit is hoe ik verbeeld: als ik met de auto het knooppunt Eemnes nader, denk ik aan één mes. Bij knooppunt Grijsoord denk ik aan een bejaardentehuis. Bij Hattemerbroek aan een hand in mijn broek. Bij Hellegatsplein aan aambeien. En bij knooppunt Hoevelaken aan Arie Ribbens.

Ik zeg niet dat dit ergens op slaat. Ik zeg ook niet dat het ergens toe leidt. Ik zeg alleen dat mijn brein dit doet. Niet alleen bij namen van verkeersknooppunten: bij álle namen. Van dingen, van plekken, van mensen en van dieren.

Verbeelding betekent: ergens een beeld van maken. Je hoeft niet overal een beeld van te maken. Maar ik weet niet waar wel van en waar niet van. Dus doe ik het dan maar voortdurend. Zit je altijd goed. Als je de rust zou hebben om te zitten.

FEEDBACK (11 APRIL)

De reacties die ik ontvang na afloop van lezingen gaan alle kanten op, maar laten zich niettemin rubriceren.

Zo heb je de onomwonden complimenten: ‘Ik vond het goed, dank je wel.’ Dat is een fijne categorie, omdat het zo duidelijk is: ik heb geprobeerd iemand een mooie middag of avond te bezorgen en dat is gelukt.

Je hebt ook kritische reacties: ‘Dat en dat vond ik niet zo goed.’ Op zich ook een prima categorie, want opnieuw is het duidelijk: ik heb geprobeerd iemand een mooie middag of avond te bezorgen, maar dat is niet helemaal gelukt.

Soms zijn er vragen die te maken hebben met de beroepspraktijk: ‘Wat krijg je voor zo’n optreden?’ Of: ‘Kun je hier nou van leven?’

Een vierde categorie die ik hier wil noemen, heeft te maken met of mensen iets kunnen met wat ik heb lopen verkondigen. Het gebeurt best regelmatig dat mensen hadden overwogen niet naar de lezing te komen, omdat het zo donker was in hun leven. En niet dat alles nu licht was, maar het donker was wel iets, iéts minder doordringend geworden.

Soms zeggen mensen: ‘Ik herkende me in veel van wat je zei, maar niet in alles.’ Dat laatste ervaar ik als een opluchting. Als iemand zich in álles wat ik zeg zou herkennen, sluit ik niet uit dat die persoon mij ís.

GO WITH THE FLOW (8 APRIL)

Mensen zeggen soms tegen mij dat ik een beetje meer go with the flow moet zijn. Maar dat is het allerlaatste wat ik wil: me laten meevoeren met de stroom. Zonder te weten waar het ondiep wordt en waar ik me kan bezeren aan een rotspunt.

Ik wil ook niet tegen de stroom in. Ik wil die hele rivier links laten liggen. Daarom kan ik ook niet opgaan in een moment. Liever blijf ik erbij.

De woorden ‘go with the flow’ staan voor mij in de gebiedende wijs. Als ik het niet doe, zwaait er wat. Dat is onprettig, want je weet van tevoren nooit wat er zwaait. Als mijn vader er vroeger mee dreigde, stopte ik toch maar met etteren. De dreiging van het onbekende was te groot.

In het verleden hebben mensen me weleens geprobeerd te verleiden met de zin: ‘Als je nu met me mee naar huis gaat, zul je wat beleven.’ Nooit ging ik mee.

AGENT (6 APRIL)

Gisteren fietste ik door de stad. Ik had haast, drukte met kracht op de pedalen, reed herhaaldelijk tegen het verkeer in en menigmaal door rood. Intussen luisterde ik via mijn koptelefoon naar een podcast.

Schuin tegenover het Centraal Station kwam er ineens iemand naast me fietsen. Ik schoof een schelp van de koptelefoon van mijn oor, misschien wilde de ander iets vragen of me voor iets uitmaken. Maar het was een politieagent op een mountainbike, die zei: ‘Rood is stoppen, hè?’

Waarop ik reageerde met: ‘Je hebt gelijk.’ En hij zijn duim opstak, waarna hij versnelde en voor me in de menigte verdween.

De dialoog ontroerde me, omdat het een voorbeeld was van sociaal contact waarbij alles klopte. Ik hield me niet aan de verkeersregels, een agent wees me daarop en ik erkende schuld, waarna hij besloot te volstaan met een vermaning.

Alles was duidelijk: een unicum.

VROLIJK (4 APRIL)

Gisteren hield ik samen met mijn zoon Julian in het kader van de Autismeweek een lezing in Museum Speelklok in Utrecht.

Dat staat vol met zelfspelende muziekinstrumenten en net toen ik klaar was met vertellen over hoe ik mijn leven lang worstel met een diepgeworteld gevoel van eenzaamheid, zette een dansorgel loeihard YMCA van The Village People in.

Daar moest ik om grinniken, wat bewijst dat de slogan van Speelklok hout snijdt: ze noemen zichzelf ‘het vrolijkste museum van Nederland’.

Al houd ik er niet van als plekken al bij voorbaat vrolijk worden genoemd, dat wil ik zelf ontdekken.

Soms nodigt iemand me uit voor een feestje en zegt er dan bij: ‘Het wordt heel gezellig.’ Maar dat wéét je nog helemaal niet.

GEHEEL EENS (28 MAART)

Ik moest weer eens een test invullen over mijn autisme. Gelukkig was het geen quiz, want dan ben ik zo bang om foute antwoorden te geven dat ik alleen nog maar foute antwoorden ga geven. Soms ga ik dan maar het tegenovergestelde antwoorden van wat ik aanvankelijk wilde antwoorden, maar dan blijken dát weer de foute antwoorden te zijn.

Maar dit was dus een test en steeds moest ik op stellingen reageren met of ik het er geheel mee eens was, enigszins mee eens, enigszins mee oneens of geheel oneens. Een van de stellingen was: ‘Mijn aandacht wordt vaak getrokken door nummerborden van auto’s.’

Geheel eens, antwoordde ik, wat zoveel fijner is dan enigszins eens, omdat enigszins eens vaag is, zich ergens in dat diffuse midden ophoudt, terwijl ik juist van de heldere uitersten houd.

Een tijd geleden ontdekte ik dat veel vrachtwagens andere nummerborden hebben dan de opleggers die ze voorttrekken. Toen ik het eenmaal zag, kon ik het niet meer niét zien. Zo slordig vond ik het, zo onachtzaam van al die chauffeurs, dat het ze blijkbaar geen moer interesseert of kentekenplaten wel of niet met elkaar matchen. Tot ik erachter kwam dat álle opleggers (en aanhangwagens, mits zwaarder dan 750 kilo) een eigen kentekenplaat hebben. Dat álle vrachtwagens dus andere nummerborden hebben dan de opleggers die ze voorttrekken.

Nu weet ik dat. En toch ga ik bij elke trekker-oplegger die ik tegenkom checken of de nummerborden inderdaad van elkaar verschillen. Nooit kan ik het niét doen. Vandaar mijn antwoord: geheel eens.

LOSLOOPGEBIED (27 MAART)

Elke dag laat ik mijn hond uit over een groenstrook langs een appartementencomplex. Om de zoveel meter wordt het groen onderbroken door stenen paadjes waarmee een van de ingangen van het complex wordt verbonden met de openbare weg.

Op de groenstrook mag de hond los, maar op de stenen paadjes niet. Aan het eind van elk stuk groenstrook staat een bord: Einde losloopgebied. Twee meter verderop, aan het begin van een volgend stuk groenstrook, staat weer een bord: Losloopgebied. En zoveel meter verderop weer: Einde losloopgebied.

Zouden mensen zich hieraan houden? Op zich ben ik verzot op regels, maar om nou de hele tijd voor die twee meter de hond aan te lijnen.

Gelukkig hoef ik hier niet over na te denken, want mijn hond kán helemaal niet los. Eenmaal los wil ze namelijk niet meer vast. Soms vragen mensen aan me: ‘Mag ze niet los?’ Dan wil ik roepen dat dat ze geen reet aangaat, maar dat is niet aardig. Dus antwoord ik: ‘Nee.’

STOORNIS (22 MAART)

Als mij wordt gevraagd of ik autisme een stoornis vind, antwoord ik: alleen vergeleken met de niet-autistische wereld.

Mensen met autisme zijn beperkt omdat ze dingen niet kunnen die de meeste andere mensen wel kunnen. Zoals achteloos omgaan met niet-aangekondigde veranderingen, smalltalken met Jan en alleman en de hele dag de schijn ophouden.

Steeds vaker kom ik op plekken waar alleen mensen met autisme zijn en dan heeft niemand een stoornis en is niemand beperkt. Vaak eten we gezamenlijk, een aantal mensen doet dat alleen aan een tafeltje, soms met de rug naar de anderen toe. Een aantal mensen houdt zijn jas aan, heeft een koptelefoon op of draagt een zonnebril.

Soms komt iemand aan mijn tafel staan en vraagt of hij erbij mag komen zitten. Het is geen vraag waar het antwoord al in besloten zit. Als ik ja heb gezegd kletsen we wat, maar er vallen ook stiltes. Die voelen als vlaktes na een boswandeling: even ruimte.

KOMKOMMER (18 MAART)

Gisteren schuifelde ik tijdens spitsuur door de supermarkt. Voor me liep een vrouw die ineens stilstond, rond haar as draaide en het woord ‘komkommer’ prevelde.

Blijkbaar was dat was ze nodig had, komkommer. En die lag in een bak achter me en dat wist ze. Het enige was dat ik in de weg stond.

Oogcontact maakte ze niet, bewegingloos wachtte ze tot ik opzij zou gaan. Wat ik eerst weigerde, tot ik dat al te kinderachtig vond en toch maar een stap opzij deed, waarop zij met een strak gezicht haar grijparm in het schap liet landen.

Net als in dat liedje van Toontje Lager droeg ze een spijkerbroek en een panterblouse. Ze rook naar eau de cologne of misschien was het urine: ik vind de lijn tussen die twee altijd erg dun.

Ik had ruimte gemaakt en wilde dat ze me zou bedanken, wat ze niet deed. Daarop bedacht ik wat je allemaal met een komkommer kunt doen en op die gedachte ben ik niet trots.

POPPENHUIZEN (10 MAART)

In mijn nieuwe huis sta ik vaak voor het raam. Dan kijk ik naar de mensen in de woningen tegenover me. Het zijn poppenhuizen met als verschil dat ik niets of niemand kan verplaatsen. Ik moet het laten.

Gisteravond zag ik hoe twee jonge vrouwen meidenavond hadden. Ze dansten wild op muziek die ik niet kon horen, sprongen op de bank en er weer af.

In een andere ruimte zaten mensen rond een tafel wijn te drinken. Er werd steeds bijgeschonken. Naarmate de flessen leger raakten, werden de monden groter en kwamen er meer armgebaren.

In een derde ruimte stond iemand voor het raam naar de mensen in de woningen tegenover ’m te kijken. Hij kon mij niet verplaatsen. 

DOE MAAR 10 (14 FEBRUARI)

In het huis waar ik ga wonen staat mijn bed nog niet. Dat staat in mijn oude huis, maar daar is alles al ontmanteld en in dozen. Nu woon ik dus overal en nergens.

Gisteren had ik vuilniszakken nodig. Ik had geen zin in de supermarkt, met al zijn speciale aanbiedingen en achtergrondmuziek en gebliep van handscanners, dus werd het de lokale doe-het-zelfzaak. Bij het afrekenen kwam ik erachter dat ik per ongeluk hele dure vuilniszakken had gescoord. Prijs: 7 euro 10 per rol.

Een normaal mens zou zeggen: ‘O, dat is wel een beetje erg duur, ik pak even de goedkopere.’ Maar ik ben geen normaal mens. Zodra de persoon achter de kassa de rol vuilniszakken in de hand heeft en ‘zeven euro tien’ mompelt, denk ik: Misschien is dat wel gewoon de prijs voor een rol vuilniszakken. Inflatie, weet je wel. Ook denk ik: Hij heeft al afgerekend, ik kan niet meer terug.

Heel vaak denk ik bij dingen: ik kan niet meer terug. Terwijl ik gewoon terug kan. Maar ik accepteer het verlies al. Ik betaal gewoon 7 euro 10 voor een rol vuilniszakken. Ik doe dat zelfs met extra veel nonchalance, alsof het geld me op de rug groeit. ‘Doe maar 8,’ zou ik zelfs kunnen zeggen tegen de uitbater van de doe-het-zelfzaak. ‘Nee, 10. Doe maar 10.’

DE NEDERLANDER (13 FEBRUARI)

De formerende partijen hebben het steeds over ‘wat de Nederlander wil’ en steeds is dat helemaal niet wat ík wil. Maakt mij dat géén Nederlander?

Soms wordt er een angstscenario geschetst en wordt erbij gezegd: ‘Dat is niet wat de Nederlander wil.’ Terwijl ik naar dat plan b op zich wel oren heb.

Vannacht droomde ik dat de politici er de brui aan gaven. De Eerste en Tweede Kamer werden opgedoekt, alle bewindspersonen traden af, ook op regionaal en lokaal niveau pakten gezagsdragers hun biezen. Moesten we het ineens zelf uitzoeken.

Onmiddellijk trad de wet van de jungle in werking, oftewel het recht van de sterkste. Dat is onder meer wat openbaar bestuur doet: de sterken waar nodig intomen, de zwakkeren beschermen. De Nederlander wil dat dat gebeurt. Hij vergeet alleen soms even dat hij dat wil.

GESTROOPT (11 FEBRUARI)

Vroeger had je een reclame: ‘Op de markt is uw gulden een daalder waard.’ Maar dat was helemaal niet waar. Als een tros druiven een gulden vijftig kostte en je betaalde met één, dan keek de marktkoopman je raar aan.

Gisteren liep ik op de markt en was er een stroopwafelkraam met op de zijkant de tekst: Wij bakken en bestropen ze waar u bij staat!

Ik in de rij, toen ik aan de beurt was vroeg de man achter de toonbank: “Kan ik u helpen?” Daarop ontspon zich de volgende dialoog:

‘Een stroopwafel alstublieft.’
’Ze gaan per zakje.’

‘Een zakje stroopwafels, alstublieft.’
(wijzend naar een rij met zakjes stroopwafels op de toonbank): ‘U kunt ze zelf pakken.’

Maar die wáren al gestroopt en gebakken. Ik wilde dat wat op de zijkant van de kraam werd beloofd, dat ze zouden worden gestroopt en gebakken waar ik bij stond.

Ik weet dat autisten alles te letterlijk nemen en dat dat soms grappig is maar vaak ook flauw of irritant. Dus ik doe mijn best en heb geleerd om als iemand vraagt: ‘Alles goed?’ niet te antwoorden: ‘Nou ja, álles, een aantal dingen wel en een aantal dingen niet.’ Dat is één keer leuk en daarna niet meer. Nu antwoord ik gewoon: ‘Zeker weten.’

Wij bakken en bestropen ze waar u bij staat!’ Het staat er bij wijze van spreken zwart op wit, en toch moet ik die slogan blijkbaar niet letterlijk opvatten. Hoe moet ik ’m dán opvatten?

SALINGER (9 FEBRUARI)

Het komt regelmatig voor dat ik denk: ik stap eruit. Niet uit het leven, wel uit dit leven.

Ik reageer niet meer op verzoeken, publiceer niets meer, ga een soort van op in rook. Mogelijk gaan mensen me zoeken, maar ik ben dan ook weer niet moeilijk te vinden. J.D. Salinger leefde ook gewoon in Cornish, New Hampshire. Hij deed alleen de deur niet open als je aanbelde.

Het fijne aan uit dit leven stappen, is dat ik werkelijk kan ophouden met doen alsof. Ik hoef niet meer te vragen aan mensen hoe het gaat en dan gespeeld geïnteresseerd het antwoord aanhoren. Of zoals Salinger schreef in The Catcher in the Rye: ‘I am always saying ‘Glad to ’ve met you’ to somebody I’m not at all glad I met. If you want to stay alive, you have to say that stuff, though.’

Dat laatste geldt niet langer als je eruit stapt. Of dat me bevalt, om uit dit leven te stappen, weet ik pas als ik het doe. De vraag is of ik het ga aankondigen. Gewoon de stekker eruit trekken is sjieker. Maar ik wil wel dat mensen me gaan missen. Als niemand doorheeft dat ik uit dit leven stap, kan ik er net zo goed in blijven.

KOM MAAR (7 FEBRUARI)

By day the ocean moves away from where it was
but a mountain does not

Ron Padgett


Eindelijk vond ik een medicijn tegen slapeloosheid waarvan de naam niet eindigde op -pam. De eerste paar nachten waren hosanna, daarna werd ik somber. De pilletjes legden een dampende deken over mijn gemoed.

Het nadeel van medicatie die je suf maakt, is dat je nooit weet hoelang de sufheid voortduurt. Voor je het weet word je iemand die prima slaapt, maar nooit meer echt ontwaakt.

Vannacht dus toch maar weer ‘clean’ naar bed gegaan en urenlang wakker gelegen. Toch voel ik me beter.

Uit een gedicht van Ron Padgett leidde ik af dat je medicatie kunt nemen om tegen de wereld te kunnen, of de wereld zelf als medicatie kunt zien: ‘The earth is a medication a giant pill/we ride on.’ Als ik zijn woorden goed begrijp, kun je genezen door te leven.

Niets vaags aan, het betekent dat je je niet langer moet verschuilen. Wie, zoals ik, vrijwel voortdurend in angst leeft, hoeft die angst niet te bezweren. Je draagt hem met je mee als een amulet.

Zoals je griep bestrijdt met een vaccin dat bestaat uit delen van het virus zelf, treed ik mijn angsten bevend tegemoet. Kom maar, fluister ik. Kom maar.

HAAT (26 JANUARI 2024)

Als een gitaarsnaar sta ik strak aangespannen. Elke kleine tegenslag begroet met een grom of een vloek. Iedereen moet optyfen.

Al weken klem ik mijn kaken op elkaar, steeds harder, nog weer harder, straks breken ze nog.

Normaal gesproken helpt Radio 1 luisteren, luisteren naar stemmen zonder echt te luisteren. Dat het zo’n beetje langs je heen dwarrelt, als zachte regen in de zomer. Maar ik trek de reclamespotjes niet. Meest irritant is die voor de Vriendenloterij: ‘Elk uur wint iemand duizend euro. Elke dag wint iemand tienduizend euro. Elke week wint iemand honderdduizend euro. En iedere maand wint iemand één miljoen euro!

Ik trek het niet meer, dat ik al dit lelijks ieder half uur in mijn oren krijg getetterd. Geen zachte regen in de zomer is het, maar slagregen in je bakkes op een koude winterdag. Ik háát de bekende Nederlanders ook die die spotjes inspreken. Maar ik wil die haat niet voelen, want haat put uit en haat leidt tot niets. Dus onderdruk ik ’m. Waarmee hij weg lijkt. Niet weg ís.

KWARTIERTJE (25 JANUARI)

Gisteren had ik een afspraak om drie uur. De vorige keer had ik file, dus ik nam flink wat marge in acht, maar dit keer stond er geen file, waardoor ik twintig minuten te vroeg was.

Eén van de twee mensen met wie ik had afgesproken appte om tien voor drie: ‘Ik ben ziek.’ Nu werd het een een-op-eengesprek of in kantoorjargon: een bila.

Ik nam plaats in de lobby, tussen enorme planten die de ruimte tot een levendige en uitnodigende plek moesten maken. Iemand kwam naar me toe: ‘Bent u meneer Harmsen?’ Ik antwoordde ontkennend. ‘Met wie heeft u een afspraak?’

Ik zei met wie, waarop de ander reageerde: ‘Maar dan bent u wél meneer Harmsen.’ Ik weer ontkennen: ‘Nee, ik ben meneer Harmens.’ Die ander helemaal verontwaardigd, maar jammer dan.

‘De persoon met wie u afgesproken heeft is een kwartiertje later.’
Een kwartier daarna: ‘Sorry, het wordt nóg een kwartiertje later.’

Wat ik wonderlijk vond, is dat ik geacht werd dit normaal te vinden. Ik was extra vroeg van huis gegaan. Was op en top op tijd en voorbereid. En dan belde de een af en was de ander meer dan twee kwartiertjes te laat en werd mijn naam verhaspeld… en moest ik vriendelijk doen.

Als ik de lobby waarin ik zat te wachten had verbouwd, hadden ze me aangeklaagd. Terwijl ik er wat mij betreft alle recht toe had. Mensen moet je heel houden, maar een harde trap tegen de koffieautomaat of een plant door het raam: dat moet toch kunnen.

BREUKGLEUF (24 JANUARI)

Al maandenlang slaap ik slecht. Ik schrijf er een essay over voor de krant, zo wordt het toch weer business.

Pammetjes helpen, maar die wil ik niet, want verslavend. Van een vriendin kreeg ik iets anders, een zogenoemd hypnotisch geneesmiddel. Eén pilletje slechts, maar met ‘breukgleuf’, dus had ik er twee.

Gisteravond genomen en vannacht geslapen als een roos. Toen de wekker ging voelde ik me als door een stoomwals overreden, maar koffie, een klets koud water en Tommy McCook op 10 doen wonderen.

Al jaren benadrukken online artsen dat de werking van dit middel nooit wetenschappelijk is onderzocht. Mijn onmiddellijke gedachte: ga dat dan eens doén!

Op het internet lees ik dat sufheid en ook verwardheid bijwerkingen van het middel zijn. Weet je waar je pas écht suf en verward van wordt? Van maandenlang slecht slapen.

RATATATATA (22 JANUARI)

Prettig als iemand zijn verhaal begint met: ‘Ik wil niet veel zeggen hoor…’ Hoef ik als luisteraar de lat niet zo hoog te leggen.

Als mensen ongevraagd tegen me aan gaan praten, is het menigmaal niet heel erg interessant. Maar als iemand aangeeft niet veel te willen zeggen en vervolgens ook niet veel zégt, dan klopt het weer.

‘Tegen me aan praten’ is een zegswijze die de lading dekt: wat mensen zeggen raakt me wel, maar het dringt niet tot me door. Op TGV-snelheid gaat het mijn ene oor in en het andere oor uit.

Bijzonder dat er zoveel aandacht is voor mensen ongevraagd aanraken, maar niet voor ongevraagd tegen mensen aan praten. Iemand gaat gewoon voor me staan, trekt zijn muil open en ratatatata: een salvo van woorden.

Soms vraagt iemand: ‘Mag ik even iets tegen je aan houden?’ Die vraag associeer ik met geslachtsverkeer, maar meestal betreft het een gedachte. Een weinig zeggende gedachte. Die me wel raakt, maar niet tot me doordringt.

VOL (21 JANUARI)

Als schrijver wil je voorkomen dat mensen je vragen hoe het gaat en dat je moet antwoorden: ‘Ik weet het niet, ik heb er geen woorden voor.’ Een schrijver die ergens geen woorden voor heeft, is als een bakker die zegt: ik heb er geen meel, gist en water voor.

Voor hoe ik me de afgelopen dagen voel, zijn geen woorden. In mijn hoofd giert het, raast het, dreunt het, dondert het. Er komt veel te veel binnen en er gaat veel te weinig uit.

Ik wil zeggen: ‘Mijn hoofd zit vol.’ Maar dat zat het gisteren ook en sindsdien is er veel bijgekomen. Dus wordt het de vergrotende trap: ‘Mijn hoofd zit nog voller dan gisteren.’

Wat zeg ik morgen?

GROEPEN (19 JANUARI)

Zoals de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un deze week aangaf geen oorlog met Zuid-Korea te willen, maar “evenmin de intentie te hebben die te vermijden”, zo wil ik bij geen enkele groep horen, maar er ook niet door worden uitgestoten.

Als je iets niet wilt en het tegenovergestelde ook niet, ga je net zo hard vooruit als in een supersnelle auto met stationair draaiende motor.

Misschien is het eerder zo dat het me niet lúkt om werkelijk tot een groep te behoren. Want daarvoor moet ik iets opgeven wat ik niet durf kwijt te raken.

Eigenlijk wil ik bij een groep horen tot het lukt. Dan wil ik er weer uit.

Mijn grote broer ging vroeger weleens bij mijn neefje logeren. Dat wou ik óók, tot ik er lag. In dat vreemde huis, met die onbekende geluiden, waar het duister een gat vrat in mijn hart. Ik huilde net zo lang tot mijn oom me weer naar huis bracht.

HAHAHAHAHAHA (17 JANUARI)

Maandag kwam er een mannetje voor de afwasmachine en het fornuis. Dit omdat sinds ik heb besloten te verhuizen, alle apparaten in mijn oude huis er de brui aan geven.

Ik heb nog niet eens de sleutels van mijn nieuwe huis, of mijn huidige huis heet al het oude.

Mijn geliefde kwam maandag in alle vroegte naar mijn huis om het mannetje te ontvangen, terwijl ik me verschanste in mijn slaapkamer. Ik hoorde ’m binnenkomen, zijn spullen uitpakken, flauwe grappen maken. Na een halfuur zijn spullen weer inpakken, nog een laatste flauwe grap en weg was hij.

Tot mijn schrik kreeg ik daarna een sms, dat het mannetje vandaag terugkomt, omdat hij niet alle onderdelen bij zich had gehad. Ik wil niet wéér mijn geliefde vragen om in alle vroegte hierheen te komen, dus ben ik zelf het ontvangstcomité.

Helemaal klaar zit ik, frisgedoucht en veel te strak aangespannen. Ieder moment kan de bel gaan. Dan komt het mannetje binnen, pakt hij zijn spullen uit, maakt zijn eerste flauwe grap. Waarom ik veel te hard zal lachen. ‘Hahahahaha!’ zal ik doen. ‘Hahahahahaha!!

Waarna het mannetje vermoedelijk niet opnieuw een flauwe grap zal maken, maar in een oogwenk het benodigde onderdeel zal installeren om er daarna als een haas vandoor te gaan. ‘Hahahahahaha!!’ zal ik blijven doen, terwijl ik ’m uitgeleide doe. ‘Hahahahahahahahahahaha!!’

ZEKERSTEWETEN (16 JANUARI)

Gisteren kwam ik iemand tegen op straat die ik kende. Ik hield halt, zette mijn boodschappentas voor me op de grond, ging rechtop staan, de benen iets gespreid, en vroeg: ‘En hoe is het nou met jou?’
Waarop die ander antwoordde: ‘Prima, en met jou?’
Ook goed. Zekersteweten,’ antwoordde ik. ‘Ik mag niet klagen. Alles goed met de kinderen?’ 

‘Jaaaaaaaaa,’ antwoordde de ander, de ‘a’ uitrekkend als een trekharmonica. ‘13 en 15 zijn ze inmiddels…’
‘…Wat worden ze groot hè?’

Dit ging zo nog een tijdje door, tot beide partijen op natuurlijke wijze aanvoelden dat het genoeg was geweest. ‘Nou, we gaan het zien, ik ga weer door,’ sprak de ander. Waarop ik reageerde met: ‘Ik spreek je snel weer, hoi-hoi!’

Ik was erg in mijn nopjes met hoe vloeiend dit gesprek was gelopen, was al bezig met mijn weg te vervolgen. Maar toen stelde die ander ineens toch nóg een vraag: ‘Helemaal vergeten, hoe gaat het eigenlijk met joúw kinderen?’

Ik mijn boodschappentas weer neerzetten, weer rechtop staan, de benen opnieuw iets uit elkaar, en zo begonnen we aan deel 2 van ons kletspraatje. Wat is alsof je als marathonloper de finish bereikt, bloemen in de handen krijgt gedrukt, medaille om je nek en dat er daarna onmiddellijk een nieuw startschot volgt.

‘Goed, heel goed,’ zei ik toch maar weer. ‘Het gaat heel goed met ze. 23 en 25 zijn ze inmiddels…’

‘Wat fijn, nou doei!’

Huh, wat? Was het gesprek ineens tóch afgelopen! De ander had me de rug al toegekeerd! Stond ik daar!

OP STAND-BY (15 JANUARI)

Ik had een deadline voor iets heel belangrijks. Het was een door mijzelf opgelegde deadline, maar dat maakte ’m niet minder urgent.

Wekenlang naartoe gewerkt en nu was het zover. De mail met het document in attachment klaargezet. Mijn vinger boven de knop en: send.

Wat er vervolgens gebeurt is: niets. De ontvanger heeft het ontvangen. Hij had zelf geen deadline opgelegd, dus was ook niet van plan om me daar vandaag aan te herinneren.

Mogelijk stuurt hij een bedankje voor het toesturen. Waarschijnlijker is dat hij de inhoud van het document tot zich gaat nemen. Dat gaat hij niet meteen nu doen. Hij heeft meer op zijn bordje en zoals al twee keer aangegeven: hij was het niet die de deadline had opgelegd. Er is derhalve geen tijd voor vrijgemaakt.

Misschien heeft hij nu wél tijd, maar dat zou dan een gelukkig toeval zijn. Voor de hand ligt het niet, dus hier gaan we van uit: een reactie zal even op zich zal laten wachten.

Ik zal geduldig zijn. Niet meer naar het document kijken, waar ik immers toch niets meer aan kan veranderen. Er zal een poosje niets gebeuren. Tot er wel weer wat gebeurt. Ik zet mezelf uit als een apparaat. Of nee: op stand-by. Dat is beter. Op stand-by is beter.

CLICKBAIT

13 JANUARI

Afgelopen zomer werd ik al gek van de koppen boven de weerberichten. ‘Hittegolf op komst’ - alsof we door een verzengende vloed zouden worden overstroomd. ‘Komende nacht wordt een plaknacht’ - alsof we aan de lakens zouden worden vastgelijmd.

‘Het voelt benauwd aan’ was niet sterk genoeg, er werd van gemaakt: ‘megabenauwd’. Alsof we allemaal een plastic zak om ons hoofd kregen gebonden. Nadát we dus al levend waren verbrand.

Gisteren las ik een kop: ‘Sneeuwbom op komst?’ Mijn onmiddellijke reactie: wat is dat, een sneeuwbom? Een dodelijke mega-ijsbal? Een bevroren duizendponder?

Met sneeuwbom blijkt te worden bedoeld: grote hoeveelheden sneeuw. ‘Er kan komende woensdag 20 centimeter sneeuw vallen.’ Ik meteen onder de indruk: 20 centimeter! Maar na de volgende zin van het artikel is de mus al dood: ‘Of het echt zover komt, is volgens meteorologen nog even de vraag.’

Een amateur-metereoloog stelt: ‘Er lijkt in het zuiden van het land en in het zuiden van Gelderland wel iets te vallen, maar meer dan 5 centimeter is dat niet.’ En dan gaat het ook nog eens niét vriezen, dus ‘van die 5 centimeter blijft niet veel over’.

Ik word zo onrustig van al deze clickbait dat ik de websites van kranten niet meer volg en liever een boek pak. Dat krijg je er nou van als je voor deze kop kiest: ‘Volgende week kans op sneeuw’. Met in de lead eronder als eerste zin: ‘Maandag en dinsdag is er kans op natte sneeuw.’ Dus dan is het ineens alleen nog maar natte sneeuw. Met als uitsmijter in regel 2: ‘Die sneeuw blijft echter niet lang liggen.’

GA MAAR WEG (11 JANUARI)

Ik woon bijna een kwart eeuw in dit dorp, ruim een decennium in dit huis en altijd naar tevredenheid. Tot dit moment, nu ik op het punt sta om weg te gaan. Nu vind ik dit dorp ineens niet meer leuk.

Neem de automobilisten die plankgas over de zebrapaden zoeven, zonder oog te hebben voor langs de kant wachtende voetgangers. Of de bakker die als je een halfje bruin bestelt, zegt: ‘We hebben een aanbieding, drie halfjes bruin voor de prijs van twee.’ En dat ik dan geen nee kan zeggen, omdat ik het gevoel heb iets mis te lopen, terwijl ik gewoon één halfje bruin wil. Of de hoogspanningsleidingen boven onze hoofden, die zo kunnen knetteren als de lucht vochtig is (en in mijn dromen op een dag naar beneden komen en als sissende slangen alle dorpsbewoners zullen elektrocuteren).

Het gezamenlijke gejoel, gegil en gejengel vanaf het naast mijn huis gelegen schoolplein, de mensen die een kletspraatje maken op het bankje voor de Jumbo, hoe druk het in de sportschool is in januari (en hoe rustig reeds in maart): ik begin het enorm te verafschuwen. Terwijl het dorp hetzelfde dorp is als altijd en ik deze plek altijd heb liefgehad. Nu ik er wegga moet ik haar blijkbaar lelijk maken, om het leed van het afscheid te verzachten.

Het huis dat altijd prima heeft gefunctioneerd, begint ook ineens te haperen. Gisteren hield de afwasmachine er spontaan mee op. De oven maakt een raar geluid. De douche lekt en de balkondeur sluit niet meer goed. Kortom: dit huis is boos om mijn vertrek. Hoor hoe het sneert: ‘Ga maar weg! Ga maar weg!’

HET CONCEPT SLAAP (9 JANUARI)

Steeds zo moe, dus ik dacht: ik ga een uur eerder slapen. Lag ik daar, een uur te vroeg. Proberen te ontspannen, aan niks te denken, maar ik kan niet aan niks denken.

Vroeger had ik een vaste droom, dat ik shooting guard was bij de New York Knicks en driepunters maakte uit de meest onmogelijke hoeken. Maar op mijn 53ste krijg ik dat beeld in mijn hoofd niet meer rechtgebreid.

Nu ik afgelopen december met een eigen song op het podium van Pakhuis de Zwijger in Amsterdam ben gaan staan, kan ik ook niet meer dromen van een carrière als liedjeszanger. ‘I’m living the dream.’

Er is al veel onderzoek gedaan naar het verband tussen slapeloosheid en autisme. Een aantal mensen met autisme begrijpt het concept slaap niet. Dat inslapen niet iets is wat je afdwingt.

Zo is er dus een verband tussen dat ik niet kan slapen en niet kan huilen: het moet je overkomen.

KITSCH (8 JANUARI)

Vandaag precies twintig jaar geleden overleed mijn vader. Soms belt hij bij me aan, zie ik ’m via het scherm van de intercom staan. Als ik op de zoemer druk loopt hij aan de buitendeur te trekken en te trekken, tot hij eindelijk besluit te duwen. Dan vervaagt de droom, loopt hij niet het halletje in, geef ik ’m geen drie zoenen: het scherm van de intercom weer zwart.

Franz Kafka noemde zijn vader in een brief ‘das Mass aller Dinge’: de maatstaf, de norm waar je dingen aan afmeet. Mijn vader is míjn maatstaf: ik werk hard, maar nooit zo hard als hij. Soms schakel ik een paar tandjes terug; de rust die ik dan voel is weldadig, maar ik voel ook schuld.

Ik dacht aan mijn vader toen ik eind december zo gek werd van die verschrikkelijke kerstmuziek dat ik heel hard de ‘Matthäus Passion’ opzette. De dood van Christus bezongen op de dag dat Zijn geboorte wordt gevierd. Zelf luisterde mijn vader het hele jaar door naar het meesterwerk van Bach, ook midden in de zomer.

Pastiches trok hij eveneens prima, zoals ‘Bach to Africa’. Ook herbewerkingen van het werk van andere componisten, zoals de Händel-verkrachting ‘The Young Messiah’. Misschien hield hij ervan juist omdat het kitsch was. Kitsch is echt een woord dat mijn vader graag in de mond nam. “Kitsch, kitsch.” Ik zie het ’m zo weer zeggen. Door het scherm van de intercom. Dat daarna weer uitdooft.

DUISTERNIS (4 JANUARI)

Iedereen, of nou ja: een handvol poëzieliefhebbers in Nederland, kent het ‘Insomnia’ van J.C. Bloem (“Denkend aan de dood kan ik niet slapen,/En niet slapend denk ik aan de dood”). Maar Jan Greshoff schreef óók een ‘Insomnia’, de eerste strofe luidt:

De duisternis is anders en veel meer
Dan enkel maar de afwezigheid van licht
Nu ik geen doel heb en ook niets begeer
Lig ik hier ongeschapen neer
Zonder mijn lichaam, zonder aangezicht

Duisternis beschouwen als méér dan afwezig licht, betekent dat het al even geleden is dat dat licht werd uitgeknipt. Het IS pas donker als de herinnering aan het donker WORDEN is weggewist.

Pas sliep ik in een huis waar je ’s nachts geen hand voor ogen zag. Dat heb ik getest. Op dat moment was ik als het ware ‘ongeschapen’, want als je jezelf niet ziet besta je eigenlijk niet.

Een paar meter van mij vandaan was een trap die steeds kraakte. In het begin dacht ik: inbrekers, sluipmoordenaars. Maar die zouden mij óók niet zien. Dus als ze al met een machete wild om zich heen zouden zwaaien, was er een kans dat ik heelhuids de volgende ochtend zou halen.

 

Lees alle blogs hier: https://www.erikjanharmens.nl/blog