Hakan Fatih Büyükadali

Blog

Nederlands

Yalova – Dallas – Silivri - Harderwijk
Tijdens het aftellen naar het nieuwe jaar
28 december 2025

 

Beste Commandant,

Over vijf dagen gaan we het nieuwe jaar in.

Zoals elk jaar voel ik ook dit jaar, nu oud en nieuw nadert, een zachte opwinding in mij. Pas onlangs heb ik ontdekt waarom ik me zelfs in de moeilijkste periodes van mijn leven ieder jaar rond oud en nieuw zo voel.

Het was veertig jaar geleden. Twee jaar na de staatsgreep van 1980. Ik zat in de tweede klas van de basisschool. We woonden toen in Yalova, destijds een district dat bij Istanbul hoorde.Ik was een ochtendleerling. Dat betekende dat mijn school van ’s ochtends tot de middag duurde.

’s Middags kwam ik uit school en ging naar huis. Mijn moeder was al met de voorbereidingen begonnen. Ze had mijn broer en mij vroeg naar bed gebracht, zodat we ’s avonds niet slaperig zouden zijn. Zodat we samen het nieuwe jaar konden ingaan en geen enkel mooi moment van de nacht zouden missen. Daarna een heerlijk diner. Vervolgens drankjes, desserts, fruit, noten.Zwart-witte amusementsprogramma’s op televisie.

De smaken, geuren en beelden van die avond hebben zich zo diep in mijn onderbewustzijn genesteld. Zelfs in de zwaarste periodes van mijn leven keren die warme gevoelens ieder jaar tijdens oudejaarsnacht terug en nestelen ze zich opnieuw in mijn hart.

Het is niet zo dat een oude jaarwisseling gewoon een andere oproept. Het lijkt eerder op het effect van Prousts madeleine.

Commandant, u herinnert het zich vast. Tijdens mijn diensttijd in Sarikamis hadden wij ook samen een oudejaarsnacht meegemaakt. Dat was bijna vijfentwintig jaar geleden. Het was ijskoud. Alles was bedekt met sneeuw. U had alle kortgedienden bij elkaar geroepen. We aten, we dronken. We zongen liederen. We hadden plezier. We lachten veel. Die nacht liepen we geen patrouilles. “Laat die klote patrouilles maar zitten. Deze nacht ook maar overslaan,” had u gezegd. Die nacht werd ons land door God beschermd.

Commandant, sinds mijn jeugd heb ik mooie herinneringen aan elke jaarwisseling. Ik heb nooit een oud en nieuw alleen doorgebracht. Tot aan 2017.

De nacht die 2016 met 2017 verbond, was de eerste oudejaarsnacht die ik alleen doorbracht.Ik was in Dallas, in de Verenigde Staten. Ik zat in de woonkamer van mijn studioappartement, dat ik met een boekenkast in tweeën had gedeeld. Ik las, luisterde naar muziek en schreef wat.Eigenlijk voelde ik dezelfde prettige opwinding als altijd, maar dit keer vermengde die zich met onrust en angst. Ik wist toen nog niet dat ze in 2017 mijn paradijs zouden stelen. Maar blijkbaar had ik het wel aangevoeld. Mijn angsten werden werkelijkheid.

Precies een jaar later, in de nacht die 2017 met 2018 verbond, bevond ik mij in de gevangenis van Silivri/Istanbul. Na het avondeten deed ik wat ik gedurende de dertien maanden die ik daar doorbracht bijna elke dag deed: ik nam het boek dat ik op dat moment las, mijn notitieboek en mijn pennen, en ging naar beneden. Ik keek met een half oog naar de oudejaarsprogramma’s op televisie, terwijl ik ondertussen las en aantekeningen maakte. Ik kon nog steeds niet bevatten wat ik het afgelopen jaar had meegemaakt. Mijn keel trok samen.En toch overheerste die oudejaarsopwinding en het gevoel dat alles weer goed zou komen. In de gevangenis denkt een mens dat hij er binnenkort uit zal komen en dat het leven daarna mooier zal zijn dan ooit tevoren.

Die gedachten zijn deels uitgekomen. Ik kwam inderdaad vrij uit de gevangenis. Zo begon ik 2019 in een appartement met één slaapkamer en een woonkamer, dat ik had gehuurd in Maltepe, Istanbul. Maar opnieuw alleen. Ik keek naar oudejaarsprogramma’s en werkte aan mijn masterthesis. Volgens mij begon ik dat jaar mijn eenzame oudejaarsnachten te tellen, en dit was de derde.

De oudejaarsnachten in Dallas en in de gevangenis verschenen opnieuw voor mijn ogen. De helft van mijn hart klopte nog steeds in Silivri. Ik voelde me nog altijd in de cel, tussen gevangenen die zonnebloempitten kraakten, praatten en wachtten op de dag dat ze hun vrijheid zouden terugkrijgen, terwijl op televisie oudejaarsconcerten klonken. Zonder te weten dat ik het jaar 2020 in een heel ander deel van de wereld zou beginnen, koesterde ik nog steeds hoopvolle dromen.

Commandant, na drie oudejaarsnachten die ik alleen had doorgebracht in Dallas, in de gevangenis van Silivri en in Maltepe, ging ik 2020 in, dit keer in de kleine Nederlandse stad Harderwijk, in een prefab kamer van een vluchtelingenkamp, nog kleiner dan de kamers in Silivri.

Ik lag als dood in mijn bed. Buiten maakten mensen zich klaar om oudejaarsavond te vieren.Ik daarentegen had werkelijk niets meer om te vieren, niets om me over te verheugen.

Zoals ik de afgelopen vier jaar gewend was geraakt, rekende ik uit de hoeveelste oudejaarsnacht dit was die ik alleen doorbracht en deed het licht uit. Ik trok mijn knieën op tegen mijn buik en sloeg de deken over mijn hoofd. Ik voelde me misselijk. Ik wilde alleen maar slapen.

Net toen ik in slaap dreigde te vallen, schrok ik op van explosies buiten. Ik stond op en deed het gordijn open. In verschillende delen van de stad schoten vuurpijlen de lucht in. Ik probeerde geen enkel vuurwerk te missen. Elke knal wekte een andere herinnering in mij.Mijn leven trok als een filmstrip aan mij voorbij.

Er waren nog maar enkele minuten tot het nieuwe jaar. Op dat moment kwam de zoete herinnering aan die mooie oudejaarsnacht uit mijn jeugd, samen met mijn moeder en broer in Yalova, opnieuw voor mijn ogen. Die vertrouwde warme gevoelens verspreidden zich weer in mij.

Samen met de mensen buiten begon ik af te tellen. 3-2-1... De hele hemel lichtte tegelijk op als dag. Een adembenemend schouwspel van licht en kleur.

Ineens voelde ik een troost in mij, een klein sprankje levensvreugde. Ik zei in stilte tegen mezelf:

“Hier, in dit mooie land, zal ik vanaf nul mijn eigen paradijs opbouwen.”

Gelukkig nieuwjaar, commandant
Ferit

 

Kijken naar de pijn van anderen
13 december 2025

Deze week stond in het teken van een vastzittende nek.
De pijn in mijn rechterarm, mijn schouders en mijn rug kwam samen met de pijn die deze verkramping in mijn nek veroorzaakte en bundelde zich in een hoofdpijn die mij zelfs het plezier in schrijven ontnam.

Eigenlijk weet ik heel goed wat de oorzaak is van al deze pijn en ongemakken.
Maar ik verzet me.
Ik wil niet naar de dokter en ik wil niet opnieuw met medicijnen beginnen.

Ik begon voor het eerst medicijnen te gebruiken na de diagnose gegeneraliseerde angststoornis in 2017. Volgens mij was het maart. Een maand nadat ik vanuit de Verenigde Staten was teruggekeerd naar Turkije. Een maand voordat ik de gevangenis in ging.

Ik ging naar een psychiatrisch ziekenhuis in Ankara.
Ik zei tegen de dokter:
‘Ik ben bang, dokter. Heel bang. Ik word gek als ik eraan denk dat ik onschuldig in de gevangenis gezet zou kunnen worden.’

De dokter antwoordde:
‘Zou het beter zijn geweest als je als schuldige de gevangenis in was gegaan?’

Toen ik later daadwerkelijk in de gevangenis belandde, kwamen die woorden van de dokter me vaak weer te binnen en moest ik er soms om lachen. Met deze vraag, die je dwingt steeds dieper na te denken en waarop nooit een eenduidig antwoord bestaat, wist hij een onuitwisbare indruk achter te laten in mijn leven en in mijn denken.

Aan het einde van datzelfde consult stelde hij bij mij de diagnose gegeneraliseerde angststoornis en schreef hij mij een sterk medicijn voor.
Zo begon ik aan een zware medicamenteuze behandeling vanwege de ‘angst om onschuldig de gevangenis in te gaan’.

Daarna werden mijn zorgen werkelijkheid.
Ik ging dus echt de gevangenis in.

Deze keer bezocht ik de gevangenisarts en legde ik hem mijn situatie uit. Natuurlijk zei ik niet: ‘Mijn vorige arts had dit medicijn voorgeschreven omdat ik bang was om de gevangenis in te gaan.’
Als ik dat wel had gezegd, had ik waarschijnlijk te horen gekregen: ‘Nu je toch al in de gevangenis zit, heb je dit medicijn vanwege die angst niet meer nodig.’

In de gevangenis worden de medicijnen door bewakers gebracht. Elke dag brengen ze precies de dosis die je moet innemen en laten ze je die innemen. Je mag nooit een doosje medicijnen bij je houden.
Want ook al laat onze staat haar burgers onschuldig in de gevangenis wegkwijnen, zij wil niet dat zij zichzelf van het leven beroven. Om dat te voorkomen neemt zij alle nodige maatregelen. Tot het afnemen van schoenveters aan toe, zodat men zichzelf niet kan ophangen. Messen langer dan een fruitmes zijn verboden. De medicijnen laat men door eigen bewakers uitdelen.

Zo brachten de bewakers ook mijn medicijn. Na de avondtelling en het avondeten. Tussen negen en tien uur ’s avonds hoorde je eerst het geknars en gerammel van het kleine luikje in de grote ijzeren deur van de cel, gevolgd door de stemmen van de bewakers die onmiddellijke gehoorzaamheid verwachtten.

‘Ferit! Waar is Ferit? Roep Ferit!’

Bewakers willen niet wachten. Ze hebben altijd haast. Bovendien laat je een staatsambtenaar niet wachten.

Als ik op dat moment sliep, op het toilet was of naar de radio luisterde en het geroep niet hoorde, raakte de hele cel in paniek.Niemand wilde dat onze verhouding met de bewakers verslechterde. Bewakers zijn misschien wel de belangrijkste mensen met wie je in de gevangenis geen problemen moet krijgen. En als je het goed met hen kunt vinden, kan dat zelfs voordelen opleveren. Bijvoorbeeld bij het uitdelen van het middag- of avondeten: een paar extra pollepels soep, een paar extra kippenbouten.

Daarom begonnen degenen die de stem van de bewaker hoorden en merkten dat ik nog niet te zien was, heen en weer te rennen, mij te zoeken en mijn naam te roepen.

‘Ferit abiii! Abiii! Het medicijn is er abii! Kom snel, abi! Vergeet je water niet!’

Wanneer ik met een glas water in mijn hand naar de ijzeren deur liep en mijn gezicht liet zien, leek iedereen ineens opgelucht, alsof ze uit de gevangenis waren vrijgelaten en hun vrijheid hadden teruggekregen. Daarna gingen ze gewoon verder met waar ze mee bezig waren.

Hoewel de nors kijkende bewaker mij inmiddels kende en het volle glas water in mijn hand zag, speelde zich elke keer opnieuw hetzelfde gesprek af:

‘Ben jij Ferit?’
Ja, ik ben het.
Heb je je water, Ferit?
Ja, heb ik.
‘Slik het medicijn maar door, Ferit.’

Nadat ik het medicijn met water had doorgeslikt, zei hij:
‘Doe je mond open, Ferit. Laat zien dat je het hebt doorgeslikt.’

De bewakers vertrekken pas als ze met eigen ogen hebben gezien dat je het medicijn echt hebt ingenomen.
Daarom is het in de gevangenis ook onmogelijk om niet-ingenomen medicijnen te verzamelen en een zelfmoordpoging te doen.

Het is inmiddels meer dan zeven jaar geleden dat ik ben vrijgelaten. Af en toe vertel ik wat mij is overkomen aan de mensen om mij heen, bij verschillende gelegenheden, en kijk ik daarna naar hun gezichten. Ik zoek in hun ogen naar een oprechte, diep gevoelde compassie. Maar telkens weer word ik teleurgesteld. Mensen kijken naar mij alsof ze naar een foto kijken, alsof ze een film bekijken, alsof ze naar een lied luisteren. De tijdelijke uitdrukking van empathie en verdriet verdwijnt al snel weer, en glimlachend zeggen ze dat ik een goed verhaal heb verteld. Daarna lopen ze weg.

Op zulke momenten denk ik aan Susan Sontag, die gewetensvolle vrouw die ik net zo bewonder als Hannah Arendt, en aan Kijken naar de pijn van anderen.
‘Maar,’ vraag ik mezelf af, ‘weet ik eigenlijk wel hoe je naar het lijden van anderen moet kijken? Kijk ik zelf ook niet naar wat er om mij heen en in de wereld gebeurt met dat verborgen gevoel van vermaak dat hoort bij het kijken naar een drama- of thrillerfilm?’

Net als bij zoveel andere vragen die ik mezelf stel, heb ik hier ook geen helder antwoord op.

Maar ik weet heel goed waar de pijn en ongemakken vandaan komen die deze week al mijn plezier hebben bedorven. Toch verzet ik me. Ik wil niet naar de dokter en ik wil niet opnieuw met medicijnen beginnen. 

Ik wacht, alsof ik op Godot wacht, en herhaal, zoals Nederlanders zo vaak zeggen, in stilte, als het tellen van de kralen van een rozenkrans:

‘Alles komt goed.’

 

Ik wil niet sterven, dokter!
4 december 2025

Ik wil niet sterven, dokter! Ik wil schrijven.
Onophoudelijk schrijven.
En die vrouw eens goed laten zien.
Die vrouw die mijn teksten kleineerde.
Die vrouw die insinueerde dat ik geen schrijftalent heb.

“Het schijnt therapie te zijn… Je lucht je hart…
Pijn laat een mens schrijven…”

Elke keer dat ik eraan denk, scheld ik haar in gedachten uit
met alle vloeken die ik ken.

Zie je het, dokter?
Het is me eindelijk gelukt.
Eindelijk kon ik me echt op iemand boos maken.

Toen probeerde u me bijna uit te dagen om mijn woede te tonen.
“Je beste vriend M,” zei u.
“Je ex-vrouw,” zei u.
“Mensen die je niet meer bellen, je vader, zij die vals tegen je getuigden,
zij die jou de gevangenis in hebben gestuurd…”

Ik zweeg.
Ik sloot mijn ogen en tastte lang mijn hart af.
Ik riep de meest pijnlijke herinneringen op,
maar geen enkele wekte bij mij woede, boosheid of haat op.

Hoe dan ook.
Zoals ik al zei… ik wil niet sterven, dokter.
Ik wil die vrouw haar plek wijzen.
Ik heb nog een onafgemaakt werk op deze wereld.

Weet u, dokter?
Als je hier met klachten van zware depressie naar een arts gaat,
komt op een passend moment altijd die vraag:

“Denkt u aan zelfmoord?”

Elke keer dat ze dit vragen, moet ik lachen.
Want ik hoor de vraag steeds als:

“Dit is ook een optie, toch? Zou je het niet overwegen?”

U zei zes jaar geleden precies hetzelfde tegen mij:

“Waarom ga je niet naar het buitenland?
Waarom vlucht je niet?
Dit is ook een optie, toch? Zou je het niet overwegen?”

Ik geef toe, dokter: na die sessie moest ik telkens lachen
wanneer het in me opkwam.
En ik vertelde het ook aan mensen om me heen.
De stand van de psychologie en de praktische oplossingen
die onze artsen tegenwoordig aandragen… werkelijk bewonderenswaardig.

Ik had u toen ook verteld dat ik een maand voor mijn arrestatie
in Ankara een andere collega van u had opgezocht.

“Ik ben bang, dokter,” had ik gezegd. “Heel bang.”
“Waarom?” vroeg hij.

“Omdat,” zei ik,
“Ik geen greintje schuld heb.
De gedachte dat ik onschuldig jaren in de gevangenis kan wegrotten
maakt me bang en gek.”

Hij gaf me dit antwoord:
“En als je wel schuldig zou zijn,
zou het dan beter zijn om de gevangenis in te gaan?”

Hoe dan ook… we hadden het over zelfmoord, dokter.

Wanneer de artsen hier mij deze vraag stellen, zeg ik:

“Nee, nee, daar denk ik niet aan.”

‘’Maar soms denk ik aan een andere versie:
’s Avonds gaan slapen en ’s ochtends niet meer wakker worden…
Van alles bevrijd zijn…
Net zoals ik uit mijn land ben gevlucht,
ook uit dit wereldse leven vluchten…’’

Vluchten, en je leven op eigen beslissing beëindigen als één van de vormen van vluchten.
Eigenlijk een gedachte die als laatste redmiddel rust geeft, dokter.

In ‘’De Steppewolf’’ van Herman Hesse zegt Harry Haller:

“Zelfmoord was voor mij altijd een openstaande deur;
alleen al het idee dat die deur bestond, stelde me gerust.”

Vroeger was ik veel banger voor de dood, dokter.
Voor wat er daarna zou komen,
voor wat mij te wachten stond.
Ik probeerde mijn leven vorm te geven
door steeds aan het hiernamaals te denken.

Niet alleen door mijn geloof.
Ik had in mijn jeugd een boek gelezen:
De Zeven Eigenschappen van Effectieve Mensen
Een van die eigenschappen was: “Begin met het eind voor ogen.”

“Alsof je tachtig bent…
op de veranda zit…
en terugkijkt.
Wat zou je dan bereikt willen hebben?’’

Het zijn nu zulke saaie clichés, dokter.
Het doet denken aan bedrijfstrainingen.

Maar toen nam ik “het eind”, na de dood,
als de laatste scène.
Daarom was ik bang voor de dood.
Omdat ik dacht dat, als ik langer leefde,
ik meer kans had om te ontsnappen
aan mogelijke straf voor mijn kleine zonden destijds,
of misschien om een plek iets hoger in de hemel te verdienen.

Ik sprak er ooit met M. over, een avond.
Twintig jaar geleden.
Ik weet niet hoe we op dat onderwerp kwamen.

Maar ik vertelde hem dit allemaal: mijn gedachten, mijn angsten…
En dat ik bang was voor de dood.

“Zolang ik leef,” zei ik,
“heb ik nog altijd een kans op een beter einde.”

M. zweeg even.
Hij nam een trek van zijn sigaret
en blies de rook uit het autoraam.
Dat deed hij zelfs bij de onbelangrijkste gesprekken,
en de sigaret stond hem zo goed dat het hem charismatischer maakte dan hij eigenlijk was.
Toen zei hij:

“Hoe weet jij dat?
Hoe weet je dat je, als je langer leeft,
geen veel slechter mens wordt?
Veel grotere fouten maakt?
Veel zwaardere zonden begaat?
Misschien ben je nu op je best.
Misschien is precies nú sterven
de beste optie voor jou.”

Maar wat hij zei, heeft nu geen betekenis meer.

Want wat er na de dood gebeurt
houdt mijn geest niet meer zo bezig.
Wat mij bezig houdt, is hoe ik zal sterven
en wat ik achter zal laten.

Ik wil niet sterven terwijl ik pijn lijd, dokter.
Of afhankelijk ben van de zorg van anderen…

En ik wil niet dat, als ik dood ben,
er uit mijn huis, uit kasten, uit laden, uit de zakken van mijn overhemden, jassen en mantels
iets tevoorschijn komt dat nare gedachten over mij oproept.

Er was die Lelijke S.
Zijn dood was zo plotseling.
Hij kreeg een ongeluk toen hij zijn dochter van school ging halen.
Er werden viagra-tabletten in zijn bureaulade gevonden.
M. had het me verteld.

Mensen vullen de gaten in verhalen
altijd in volgens hun eigen blik, doktor.

Ik wil een heel opgeruimd huis achterlaten.
Een geventileerd huis…
Alle spullen op hun plek…
Geen vuile vaat, geen was…
Het bed opgemaakt…
Alle persoonlijke notities en dagboeken vernietigd.
Alsof er daarna een logé in mijn huis zal komen slapen.

Maar dat is nu allemaal niet belangrijk, dokter.
Maakt u zich alsjeblieft geen zorgen om mij.
Ik ben absoluut niet van plan
een einde aan mijn leven te maken.

Ik wil helemaal niet sterven, dokter.
Ik wil schrijven.
Onophoudelijk schrijven.
En die vrouw haar plek laten zien.
Die vrouw die insinueerde
dat ik geen schrijftalent heb.

 

Het enige wat mij nog aan het leven bindt, is dit dagboek
27 november 2025

Lieve Suzan,

Het enige wat mij nog aan het leven bindt, is dit dagboek, daarom schrijf ik. Ik lees mijn eigen woorden niet eens terug. Ik begon met schrijven toen ik in de gevangenis zat, maar eigenlijk pas echt daarna, toen ik volledig alleen achterbleef.

Weet je, Suzan, wat het grootste voordeel is van eenzaamheid voor iemand die graag schrijft? Je schrijft zonder angst, zonder terughoudendheid. Je vertelt alles wat er in je leven gebeurt, je lucht je hart, je noemt zelfs de echte namen van mensen, je schrijft alles precies zoals het was, zonder iets aan te passen.

Maar je komt niet zomaar op dat punt. In het begin, wanneer je nog niet gewend bent aan de eenzaamheid, aarzel je om bepaalde gebeurtenissen, gedachten of gevoelens op te schrijven, en als je het al opschrijft, kras je die stukken meteen door zodat niemand ze ooit kan lezen, of je vernietigt die pagina’s na het schrijven.

Maar naarmate de tijd verstrijkt en je de eenzaamheid en haar verleidelijke voordelen accepteert, valt die angst langzaam van je af. Je stopt met zelfcensuur, je stopt met krassen, je stopt met weggooien. En als je niet af en toe in paniek raakt door de gedachte: “Wat als mij iets overkomt en de mensen die hier na mij binnenkomen dit allemaal lezen en doorvertellen?”, dan beginnen je notities zich langzaam op te stapelen.

Je schrijft op alles wat je kunt vinden, op elk moment. Notitieboekjes van verschillende formaten met aantekeningen en krabbels raken verspreid door het hele huis, en worden zelfs vergeten.

Tussen de boeken in de boekenkast, achter in lades, in het voorvak van een oude rugzak die je niet meer gebruikt, in een koffer die je na een vakantie nooit helemaal hebt uitgepakt, tussen stofnesten onder een bank die je al maanden niet hebt gestofzuigd, of ineens in de zak van een oude jas die je al lang niet hebt gedragen, daar vind je plots aantekeningen van jaren geleden.

Het meest romantisch vind ik de enveloppen. In de eerste weken dat ik hier kwam wonen, bewaarde ik alle enveloppen van de gemeente en de belastingdienst. Ze hadden nog lege stukken die ik kon benutten, het voelde zonde om ze weg te gooien. Ik wilde geen geld uitgeven aan notitieblokken, maar vooral: schrijven op zo’n gescheurde envelop gaf mij een vreemd, bijna gelukkig gevoel. Ik dacht dan aan interviews met grote schrijvers.

“Voor mij maakt tijd of plek niet uit om te schrijven, een pen en een stukje papier zijn genoeg. Soms schrijf ik op een servetje, soms op de achterkant van een envelop, soms op een sigarettenpakje.”

Omdat door de jaren heen steeds minder mensen mijn huis binnenkwamen, verdween de angst dat iemand mijn notities zou vinden langzaam naar de achtergrond, en als ik een keer een zeldzame bezoeker verwachtte, controleerde ik alleen even of er nergens in het zicht een notitieboekje of een aantekening lag die ik moest verstoppen.

In het begin schreef ik nooit namen voluit. Ik dacht: als ik dit ooit opnieuw lees, zal ik mij al die mensen toch wel herinneren. En het kwam natuurlijk ook door die oude angst: “Wat als iemand dit leest?”

Daarna koos ik ervoor alleen de beginletters te gebruiken. Ik merkte dat ik bepaalde gebeurtenissen begon te vergeten, en als ik mensen met hun naam in gedachten nam, kwamen de herinneringen veel levendiger terug.

Bijvoorbeeld:

“‘Ik vroeg het aan B, hoe zal ik je herkennen als we afspreken, wat ga je dragen, welke kleur haar heb je eigenlijk?’ ‘Blond,’ zei B. Ik was meteen van de wereld. B was blond dus. In het hoofd van geen enkele jonge Turkse man bestaat het beeld van een blonde vrouw die niet ontzettend mooi is. ‘Maar ben je echt blond?’ vroeg ik. ‘Ja,’ zei B, ‘honderd procent echt blond, en mijn ogen zijn blauw.’”

Na verloop van tijd begon ik de echte namen van mensen te gebruiken, precies om die reden, de moed die voortkomt uit eenzaamheid en uit de overtuiging dat toch niemand dit zal lezen.

Maar het blijft riskant, lieve Suzan. Wij gewone mensen willen dat risico meestal niet nemen. Je denkt altijd: “Wie ben ik nou, wie zou dit ooit lezen, en waarom zou iemand het iets kunnen schelen?”, maar toch blijft ergens de angst bestaan dat iemand het ooit leest.

Daarna probeerde ik de mensen in mijn dagboek andere namen te geven. Ik probeerde hun verhalen aan te passen, te veranderen, alsof ik personages creëerde. Maar het lukte niet. Zodra ik de naam veranderde, kon ik de herinnering niet meer helder voor me zien, dus ging ik terug naar de beginletters.

Lieve Suzan,

In mijn dagboek schrijf ik brieven die ik je nooit zal sturen. Zo worden ze, denk ik, veel eerlijker dan brieven die wel verzonden kunnen worden.

Ik heb altijd van brieven gehouden.

Mijn vader ging failliet toen ik op de basisschool zat, hij vluchtte voor zijn schuldeisers, hij nam ons overal mee naartoe. We verhuisden naar Yalova, een stad aan de kust van de Zee van Marmara die vroeger nog bij Istanbul hoorde. Daar schreef ik brieven aan mijn klasgenoten in Ankara, aan mijn juf, aan mijn oma die nog in Ankara woonde. Na school ging ik langs de kantoorboekhandel om briefpapier en enveloppen te kopen. Ik legde een gelijnd vel onder een ongelijnd vel zodat de regels recht bleven. Ik begon mijn brieven altijd zo:

“Lieve vrienden en waarde juf, hoe gaat het met jullie? Met mij gaat het heel goed, ik mis jullie allemaal heel erg. Missen jullie mij ook?”

Jaren later, tijdens mijn studietijd in Istanbul, schreef ik brieven met A, mijn buurmeisje uit Ankara, zij woonde precies tegenover ons balkon. Destijds hadden we nog geen mobiele telefoons. A was een prachtig, levendig meisje met grote donkere ogen als olijven. Ze was een paar jaar jonger dan ik. Haar levenslust vulde mij ook met levenslust, net als B, over wie ik het vaakst schrijf in mijn dagboek. Maar mijn brieven aan A waren geen liefdesbrieven. Mijn gevoelens voor haar zweefden ergens tussen vriendschap en liefde. Soms zeiden we wel eens dingen die de grens van vriendschap raakten, maar we hebben die grens nooit overschreden.

Lieve Suzan, soms stel ik mij voor dat ik op de dag dat ik hier vertrek een brief in je brievenbus stop, een brief waarin ik alles vertel vanaf het begin tot nu, vanuit mijn eigen perspectief, met mijn eigen handschrift, op ongelijnd papier, met een vulpen geschreven. Een brief waarin ik vertel hoe puur en oprecht en onbaatzuchtig en warm ik je heb liefgehad, hoe diep de tederheid is die ik voor je voel, hoe mijn hart je soms als een zus ziet, hoe ik in stilte en vanuit de diepte van mijn hart voortdurend bid voor jouw gezondheid en geluk.

Het idee om jou zo’n echte brief te schrijven maakt me op een mooie manier zenuwachtig, maar zodra ik denk aan het feit dat deze woorden voor jou waarschijnlijk niet dezelfde waarde zouden hebben, misschien zelfs helemaal geen waarde, misschien zou het je boos maken of verdrietig, verdwijnt al die moed meteen.

Lieve Suzan,

Het enige wat mij nog aan het leven bindt, is dit dagboek, daarom schrijf ik. Ik lees mijn eigen woorden niet eens terug. Ik begon met schrijven toen ik in de gevangenis zat, maar eigenlijk pas echt daarna, toen ik volledig alleen achterbleef.

Eenzaamheid en schrijven, dat is mijn lot.

Liefs,
Ferit