Hakan Fatih Büyükadali

Blog

Je verdrinkt niet!
30 maart 2026

Ik pakte een kussen van de rand van het zwembad.
Met mijn rug naar het hotel koos ik een plek uit.
Met mijn andere hand sleepte ik de houten ligstoel aan het uiteinde mee.
Met mijn ogen liet ik mijn blik snel over de omgeving gaan.
Toen ik zeker wist dat er behalve ik niemand anders was, ging ik op de plek die ik had uitgekozen zitten, strekte mijn benen uit en liet mijn hoofd naar achteren hangen.
Op het moment dat ik mijn ogen sloot, begon zich in mijn hoofd een scène af te spelen van 23 jaar geleden.

Ik zat toen op de middelbare school.
Mijn neef Orhan, die we later bij een verkeersongeval verloren, had me in het zwembad geduwd van een driesterrenhotel in Didim waar we samen vakantie vierden.
Op een moment dat ik het totaal niet verwachtte.
Terwijl ik in het water lag te spartelen, smeekte ik telkens wanneer ik voelde dat mijn hoofd even boven water kwam.

“Alsjeblieft, Orhan… red me alsjeblieft!”
“Neeeee!”
Af en toe kon ik Orhans gelach horen.
Ik probeerde geen water binnen te krijgen en adem te halen.
“Ik verdrink, Orhan!”
“Je verdrinkt niet.”
“Alsjeblieft, Orhan! Red me!”
“Nee, je gaat er zelf uitkomen.”

Zwemmen had ik dus juist die dag geleerd.

Door de chloorlucht die mijn neus binnendrong, gingen mijn ogen weer open.
Een hand die hard van achteren mijn schouder greep.
Ik draaide mijn hoofd om en keek.
Ik herpakte me en stond op.
De kruin van mijn hoofd kwam amper tot aan zijn nek.

Hij stak zijn hand naar me uit, met de handpalm omhoog.
“Je hebt je apart in een hoekje teruggetrokken… Hebben we je nu al zo snel verveeld?”
Uit zijn keel kwamen drie korte, zachte lachjes.

Ik dwong de mondhoeken omhoog richting mijn oren, maar de spanning op mijn voorhoofd verdween niet.
“Ik wilde wat zeelucht opsnuiven.”
Een paar hotelmedewerkers begonnen met schepnetten de takken uit het zwembad te halen die erin waren gevallen.

Toen ze klaar waren, meldde een van hen het via de portofoon aan de centrale.
“Hoofdzwembad, klaar!”
Ze groetten ons met een knikje en liepen met hun materiaal in de hand naar het andere zwembad.
Adnan Melik Bey verbrak opnieuw de stilte.

“Klopt het dat u vorige week om de verklaring van de tweede regiomanager hebt gevraagd?”

Met de wijsvinger van mijn linkerhand schoof ik mijn bril hoger op mijn neus.
“Ja, dat klopt. Van iedereen die in de kredietgoedkeuringsketen zit, wordt een verklaring afgenomen, dat weet u.”

De mondhoeken bewogen heel even.
“Deden jullie dat bij Es Bank ook zo?”

“Ja.”

“Nou ja, goed. Ja, er wordt een verklaring afgenomen. Ik zeg niet waarom u dat doet… Maar u had mij daar eerst wel even over kunnen informeren, toch?”

Met mijn vingertoppen begon ik aan mijn nagelriemen te friemelen.
“Het hoofd Interne Audit valt onder de auditcommissie, dat weet u. Niet onder de algemeen directeur.”

Heel langzaam verscheen er een glimlach op zijn gezicht. Een tijdje keek hij me zo recht in de ogen aan. Toen werd hij ineens ernstig en zei, terwijl hij zijn handen op zijn rug in elkaar sloeg:

“Ik weet onder wie dat valt. Maar wij hebben jou hier ook naartoe gehaald. Of niet soms?”

Ik sloot mijn mond en schuurde mijn tanden tegen elkaar.
Ik draaide me om naar het hotelgebouw. Met mijn ogen zocht ik mijn kamer op de zevende verdieping.

Zonder op mijn antwoord te wachten, draaide Adnan Melik Bey zijn hoofd naar de chauffeur die achter hem was verschenen met een tas in zijn hand.

“Heb je de auto gehaald?”
“Ja, meneer.”
“Kom, we gaan.”

“Ferit, laten we één keer per maand apart met elkaar spreken. Goed?”

“Prima. Ik regel het via uw assistent. Aan de hand van uw agenda.”
“Ersümen Bey zal ik daar natuurlijk ook over informeren.”

Terwijl hij op het punt stond naar zijn auto te lopen, draaide hij met een plotselinge beweging zijn hoofd naar me toe, kneep zijn ogen samen en zei: “Prima, informeer hem maar. Geen probleem.”
“Goed, we zien elkaar.”

“Tot ziens, Adnan Bey! Goede reis.”

Terwijl hij in de duisternis verdween, liep ik langzaam terug naar het hotel.
Mijn rug kromde zich, ik richtte hem weer, en dan kromde hij opnieuw.

Om naar mijn kamer te gaan, liep ik richting de liften in de lobby. Meteen bij de ingang liep ik langs het welkomstbord van de bijeenkomst.

“Overlegbijeenkomst van het topmanagement van Bank Astra, pionier in islamitisch bankieren”

De sectiemanagers van de bank zaten in groepjes verspreid over de groene leren fauteuils in verschillende hoeken van de grote zaal die werd verlicht door het glazen plafond van de lobby. In elk groepje bewogen de lippen van één of twee mensen, terwijl de anderen luisterden. Er was niet eens een geroezemoes te horen. Alleen het geluid van theelepeltjes die door glazen roerden en kopjes die op schoteltjes werden teruggezet, verbrak de stilte.

Toen ik achter een groepje langs liep, hoorde ik dat de kortbaardige man van wie ik wist dat hij de manager Betalingsverkeer was, het over mij had. Ik hield mijn adem in en vertraagde mijn pas.
“Wij werken hier al jaren keihard, en dan komen die lui ineens binnen…”
Ik draaide mijn hoofd een beetje in de richting vanwaar de stem kwam.
Het was inderdaad degene die ik dacht dat het was.
“Verdomme…” zei ik in mezelf.

Ik versnelde mijn passen nog meer richting de lift in de andere hoek van de zaal. Deze keer viel mijn oog op een paar mensen die rechtop stonden achter de stoffige bladeren van een enorme boom in een bloempot.

“Dat soort types… die moet je laten werken tot hun riemen knappen! Alleen zo houdt dat geroddel op.”

Dat was de stem van Mehmet Ayaz. Ik liep om de plant heen.

Drie mensen hadden op het met tapijt bedekte deel van de lobby een kring gevormd en spraken met elkaar terwijl ze naar de sectiemanagers in de verte keken. De punten van hun schoenen raakten elkaar bijna. De anderen waren Abdurran Kosnu en Tolga Yalpa. Abdurran had zoals altijd allebei zijn handen in zijn zakken. Toen hij me zag, haalde hij met zijn rechterhand tegelijk een spray uit zijn zak, deed zijn mond open en spoot drie à vier keer.

Mehmet Ayaz verbrak de kring en maakte plaats voor mij. De kring van drie werd een kring van vier.

“Ferit Bey, ben je al gewend aan Bank Astra?”
Ik draaide mijn hoofd naar het deel waar de sectiemanagers zaten, wierp er een korte blik op en antwoordde toen:
“Het gaat langer duren dan ik had gedacht. De cultuur is hier behoorlijk anders. Soms denk ik… Ach, laat ook maar…”

Terwijl Mehmet Ayaz me aankeek alsof hij alles begreep uit de uitdrukking op mijn gezicht, draaide Abdurran zijn hoofd naar mij.
“Ik zag u praten met de CEO?”

Ik deed langzaam een stap naar achteren en begon door mijn mond te ademen.
“We hebben ook een onderzoek geopend naar een oninbare lening in een filiaal dat onder het Tweede Regiokantoor valt… Daar vroeg hij naar. ‘Hij wil ook regelmatig geïnformeerd worden over de onderzoeken die we openen.’”

Alle drie draaiden ze tegelijkertijd hun gezicht naar elkaar toe. Mehmet Ayaz hield zijn hoofd een beetje schuin naar rechts, trok zijn linkerwenkbrauw op, wees naar mij en liet één lachgeluid horen. “Haha.” Ook de anderen glimlachten met hun mondhoeken.

Abdurran nam de laatste slok van zijn koffie, zette het kopje op de rand van de bloempot en nam opnieuw het woord.

“Er lopen hier echt veel onnodige types rond bij deze bank.”
“Om te beginnen is die manager Personeelszaken een complete hork.”

“Er gaan koppen rollen,” zei Tolga, terwijl hij met zijn hand een gebaar maakte alsof hij een keel doorsneed.

Abdurran haalde zijn rechterhand uit zijn zak. Hij begon ermee over zijn buik te strijken.
“Voor dit geld zou ik hier eigenlijk geen leiding geven.”

Ik deed nog een stap achteruit.
Tolga en Abdurran gingen door met praten.
Terwijl ik mijn tanden over elkaar liet schuren, begon ik met de uiteinden van mijn overgebleven nagelriemen te spelen.
Ik draaide mijn hoofd en telde met mijn ogen de verdiepingen.
Het geluid van de lift die naar de begane grond kwam, klonk.
Ik stapte uit de kring.

“Ik ga nu naar mijn kamer,” zei ik. “Tot later.”

“Natuurlijk…” zei Mehmet Ayaz. “Als we terug zijn, laten we dan samen gaan eten, Ferit Bey. Wij vieren. En laten we Mahrut en de beide heren Mert ook meenemen. Mert Altın en Mert Halisdoğan.”

Ik bleef abrupt staan. Langzaam draaide ik me om. Ik keek Mehmet Ayaz in het gezicht, met samengeknepen ogen. Mehmet Ayaz, die twee stappen in mijn richting zette, had zijn handen recht in zijn zakken gestoken. Alleen zijn duimen wezen naar het glazen dak van het hotel.

“Goed,” zei ik, “is prima.”

Ik drukte op de knop voor de zevende verdieping. Terwijl ik omhoogging, begon ik door het glas naar de menigte in de lobby te kijken. Hoe hoger de lift kwam, hoe kleiner de mensen werden en hoe meer ze op één samengevoegde groep begonnen te lijken.

Uiteindelijk kwam ik aan op de verdieping waar mijn kamer was. Die van mij lag ongeveer aan het einde van de lange gang. Ik liep verder en keek naar de nummers boven de deuren. Ik haalde mijn pasje uit mijn zak en stak het in de gleuf van het slot. Het vertrouwde geluid van een openend slot kwam niet. Ik haalde het eruit, wachtte even en stak het er nog eens in. Weer ging het niet open. Ik wreef de magneet over mijn overhemd en probeerde het voor de laatste keer. Tevergeefs.

Ik tilde mijn hoofd op. Ik keek naar het kamernummer. Ik hield het pasje tegen de deur van de kamer ernaast. Deze keer ging de deur meteen open.

Zodra ik de kamer binnenkwam, liet ik me op de spierwitte lakens vallen die nog maar net verschoond waren.

Toen mijn ogen door de zoute geur die van de zee kwam weer opengingen, bleef mijn blik hangen op de donkerblauwe koffer op de salontafel. De sporen van stickers van allerlei Turkse luchtvaartmaatschappijen en busbedrijven waren nog altijd niet verdwenen van de rand van het deksel. Toen ik als auditor bij Esbank werkte, had ik de koffer die ik destijds van de bank had gekregen nog niet vervangen.

Ik opende de koffer. Op de kleren na die ik die dag aanhad, zat al mijn bagage nog in de koffer. Ik haalde de overhemden eruit die Nihal op het laatste moment haastig had gestreken, om ze in de lade te leggen. Mijn rug kromde zich. Ik legde de overhemden weer terug in de koffer. Ik keek naar mijn handen. Aan mijn nagels zat geen velletje meer dat ik niet had losgetrokken.

Met mijn rechterhand gaf ik de koffer een harde klap en gooide hem weer dicht.

Precies op dat moment begon de mobiele telefoon in de koffer te rinkelen. Ik keek. Drie gemiste oproepen. Het was Ersümen Bey.

“Ik kan je niet bereiken.”
Ik liet me achterover op het bed vallen, tot aan mijn knieën. Mijn voeten stonden nog steeds op de grond.
“Ik had mijn telefoon in de kamer laten liggen.”

“Is er iemand bij je?”
“Nee.”
“Goed.”
“Er gaan een paar dingen veranderen.”
Met kracht vanuit mijn middel kwam ik overeind.
“Bij de bank?”

“Ja.”
Ik stond op.

“Voorlopig deel je dit met niemand.”
“Oké.”
Ik begon heen en weer door de kamer te lopen.

“Adnan Melik…”
“Ja…”
“Hij vertrekt…”

Mijn rug schoot ineens kaarsrecht.
“Ja?”

“Mehmet Ayaz… nieuwe CEO.”
“En het team? Verandert het team ook?”
“Ja.”
“Abdurran, Tolga, Marut, Mert Altın, Mert Halisdoğan: nieuwe top.”

Ik ging weer op het bed zitten.

“En nog iets…”
“Ja.”
“Jij…”
Ik klemde mijn tanden op elkaar alsof ze in elkaar zouden grijpen.
“…”

Ik ontspande mijn kaken.
Ik stond op.
Ik liep met snelle passen heen en weer door de kamer.
Mijn rug werd opnieuw kaarsrecht.
Ik wreef mijn handen over elkaar.
Ik legde de spullen uit de koffer één voor één in de lades.
Ik keek naar mezelf in de passpiegel.
Ik haalde diep adem.
Ik hield mijn adem in.
Ik deed de koffer dicht en zette hem in de kast.

Het Donkerblauwe Speldje
9 maart 2026

De eerste keer dat ik door de deuren van de toren liep, was op een ochtend in mei.
De laatste keer dat ik erdoor naar buiten ging, was ook in mei.

Die ochtend was de lucht strak en glad, met een prachtige zon. Zoals elke dag ging ik op in de menigte. Van bovenaf leek ze altijd op een mierennest.

Ik stapte in het vak van de draaideur dat net voor mij vrijkwam. Naast mij stond een man die zijn geeuw achter zijn hand probeerde te verbergen. De deur begon langzaam te draaien.

In de weerspiegeling van het glas keek ik naar mijn haar, naar mijn gezicht en naar mijn kleren. Het donkerblauwe speldje op de rechter revers van mijn jasje glansde in de ruit.

Ik stapte uit de draaideur.

De koffiezaak waar ik met Turgut Bey zou afspreken, Crispy Cream, was nog druk. Omdat het daar nog even zou duren voordat het rustiger werd, besloot ik de boekwinkel B&R er recht tegenover binnen te lopen.

Ik liep naar de boekenkasten met boeken over financiën en bankieren en liet bijna alle boeken vluchtig door mijn handen gaan.

Het boek dat ik zocht vond ik op de onderste plank.

“De grondslagen van het islamitisch bankieren.”

Ik bekeek de voorkant, de achterkant en de inhoudsopgave. Ik bladerde snel door de pagina’s en bleef hier en daar even hangen. De naam van de auteur sloeg ik in mijn geheugen op.

Daarna zette ik het boek weer terug op zijn plaats.

Ik keek door het raam van B&R naar buiten.

Mannen en vrouwen in pakken begonnen zich al voor de liften te verzamelen.

In de koffiezaak werden de tafels langzaam leger. Steeds meer mensen stonden op om te betalen.

Ik verliet B&R en liep Crispy Cream binnen.

Ik koos een tafel vanwaar ik de ingang kon zien en ging zitten. Ik keek op mijn horloge.

Zachtjes herhaalde ik de eerste zinnen die ik tegen Turgut Bey zou zeggen wanneer hij kwam.

Op dat moment zag ik weer de dag voor me waarop ik het selectie-examen van Es Bank had gehaald.

In die tijd werden examenuitslagen nog per telegram verstuurd.

Die dag kwam ik van buiten thuis en belde aan.

Mijn moeder deed de deur open. Ze snoof. Ze veegde de tranen uit haar ogen.

Toen ik vroeg: “Wat is er, mam?”
stak ze me het papier toe dat ze in haar hand had.

Nog voordat ik het kon lezen, sloeg ze haar armen om me heen en begon te huilen.

“Mijn zoon, godzijdank. Je hebt het gehaald.”

Ik legde mijn armen op mijn knieën. Ik boog voorover. Ik begon met mijn ring te spelen.

Ik bracht mijn handen naar mijn gezicht en masseerde mijn voorhoofd in kleine cirkelende bewegingen.

Toen ik mijn handen weer liet zakken, zag ik Turgut Bey in de hoek staan.

Met snelle passen kwam hij naar binnen en liep recht op me af.

“Goedemorgen, Ferit! Hoe gaat het? Wat wil je drinken? Heb je al iets besteld?”

Ik stond op en glimlachte.

“Goedemorgen, Turgut Bey. Nee, nog niet. Ik wachtte op u.”

Hij maakte de beweging die hij altijd maakte wanneer hij iemand iets wilde aanbieden. Hij wees met zijn wijsvinger naar mij.

Hij draaide zich naar de toonbank waar de barista’s bestellingen aannamen en herhaalde zijn vraag.

“Wat wil je drinken? Heb je trouwens al ontbeten? Een donut?”

Ik zette twee haastige stappen naar hem toe. Ik pakte de hand waarmee hij net geld uit zijn zak wilde halen.

“Turgut Bey… laat mij deze keer alsjeblieft betalen.”

Hij trok zijn hand los.

“Volgende keer. Zeg maar, wat drink je?”

“Goed dan. Doe mij maar een latte.”

“Twee latte’s.”

We liepen terug en gingen zitten.

“En? Er is geen probleem, toch? Toen je zei dat we beneden moesten afspreken…”

“Nee, Turgut Bey, er is geen probleem. Het is wel iets belangrijks natuurlijk, maar niets om u zorgen over te maken.

Excuseer me. Ik dacht dat we hier wat rustiger konden praten. En ik wilde dat u het als eerste wist.”

“Vertel.”

Ik boog iets voorover.

Ik bracht mijn hand naar mijn keel.

“Ik ga weg, Turgut Bey.”

De kop in zijn hand tikte plotseling tegen het schoteltje.

“Van de bank?”

“Ja. Ik neem ontslag.”

“Meen je dat?”

“Ja.”

“Zeker?”

“Ja.”

Hij nam de kop weer op en nam een slok van zijn koffie.

“En waar ga je heen, als ik vragen mag?”

“Bank Astra.”

Hij kneep zijn ogen tot spleetjes.

“Die… van de Beweging?”

“Ja.”

“Islamitisch bankieren… toch?”

“Ja.”

Hij keek me aan, af en toe met half dichtgeknepen ogen.

Ik vouwde mijn handen in elkaar en liet mijn vingers knakken.

“De functie? Je hoeft het niet te zeggen als je dat liever niet wilt.”

“Geen probleem. Head of Internal Audit.”

Nu keek hij me recht aan, alsof hij mijn hart wilde lezen.

Ik sloeg mijn ogen neer.

De barista begon de lege kopjes van de tafels te halen. We keken allebei zwijgend toe terwijl hij de tafels afruimde en schoonveegde.

Als laatste nam hij ook onze kopjes mee.

“Gefeliciteerd, abi. Wat moeten we zeggen.”

“Wanneer begin je?”

“Maandag.”

“Dus volgende week al.”

“Ja.”

“Ik heb het contract gisteren getekend. Mijn ontslagbrief is klaar. Ik heb hem bij me.”

Ik haalde de ontslagbrief uit de binnenzak van mijn jasje en gaf hem aan Turgut Bey.

Hij nam de brief aan. Hij wierp er snel een blik op. Daarna vouwde hij hem op en stopte hem in de binnenzak van zijn eigen jasje.

“Dat regelen we wel. Weet er boven al iemand van?”

“Nee. U bent de eerste.”

Ik schraapte mijn keel.

“Dank u wel voor alles, Turgut Bey.

Ik zal altijd… voor u bidden.”

“Dank je, Ferit. Het spijt me dat je weggaat.

Ik zou zeggen: had nog even gewacht. Maar het is jouw leven, jouw beslissing. Ik kan er niet veel tegenin brengen.”

“Het was geen gemakkelijke beslissing.”

“Ik begrijp het.”

De ernstige uitdrukking op zijn gezicht verzachtte.

“Kijk vooruit, abi. Je hebt een keuze gemaakt. Ik geloof dat je het juiste doet voor jezelf en voor je gezin.”

Ik keek naar hem.

Met de vingers van mijn rechterhand streek ik over mijn wenkbrauwen en mijn oogleden.

“Dank u.”

“En trouwens… bij Bank Astra is het zo gegaan met mijn overstap…”

Nog voordat ik mijn zin kon afmaken, onderbrak hij me.

“Laat maar. Je hoeft het niet uit te leggen.”

Toen merkte ik dat mijn benen trilden.

Ik legde mijn hand op mijn knie en dwong ze stil te houden.

“Goed. Dank u.”

“Zullen we gaan, Ferit?” zei hij.
“Ik heb zo’n vergadering. Daarna kunnen we jouw vertrek in gang zetten. Was er verder nog iets?”

“Nee, dank u.”

We stonden op.

Turgut Bey pakte me bij mijn schouders.

“Zo dan, Ferit. Je gaat echt weg, hè? We hadden het goed samen.”

We omhelsden elkaar.

“Dat hadden we.”

“Laten we er geen afscheidsscène van maken. We praten hier nog wel eens uitgebreid over.

Je verlaat de bank, maar we blijven elkaar wel zien.”

“Natuurlijk.”

We liepen snel naar buiten.

Turgut Bey sloeg af naar de liften die naar de drieëndertigste verdieping gingen.

“Tot ziens, Ferit.”

“Tot ziens, Turgut Bey.”

Ik ging weer de boekwinkel binnen.

Het boek dat ik ’s ochtends had bekeken, lag er nog.

Ik nam het, betaalde en liep naar de uitgang.

Ik keek nog één keer om.

Mijn keel trok samen.

Ik liet mijn tong langs mijn tanden glijden.

Ik stapte opnieuw de draaideur in.

In de weerspiegeling van het glas zag ik weer het donkerblauwe speldje op de revers van mijn jasje.

Terwijl de deur draaide, sloeg ik met één hand de revers om.

Ik maakte het speldje los.

Ik hield het even in mijn hand.

Ik stopte mijn hand in mijn zak en kneep mijn vuist een moment samen.

Ik stapte naar buiten.

Ik liet het speldje los.

Ik haalde mijn hand uit mijn zak.

Ik streek mijn stropdas recht.

De zon was verdwenen.

De lucht was grijs geworden.

Ik snoof de lucht op.

Het rook naar regen.

Als een scheiding
1 maart 2026

Op mijn onderlip. Op mijn bovenlip. Op mijn tong zaten ze.
Alleen door mijn lippen met mijn vingers om te krullen en mijn tong uit te steken, kon ik hun plek bepalen.

Ik draaide de dop van de oplossing open en streek met het kleine borsteltje aarzelend over één van de aften waarvan de randen wit waren uitgeslagen. De witte plek kleurde plots vuurrood. Ik sloot mijn ogen. Ik klemde mijn oogleden en mijn tanden zo hard als ik kon op elkaar.

Op dat moment verscheen het rood aangelopen gezicht van Rauf Bey voor me.
“Wij hebben jou niet beloofd dat je zou promoveren.”

Ik opende mijn ogen. Keek in de spiegel. Naar mijn gezicht. Ik dwong mijn oogleden omhoog, probeerde mijn gefronste wenkbrauwen glad te strijken.

Ik stak opnieuw mijn tong uit. Doopte het borsteltje weer in de oplossing. Voorzichtig bracht ik het middel opnieuw op de wond aan. Ik sloot mijn ogen tot de pijn langzaam wegtrok
Toen klonken de woorden van Turgut Bey in mijn hoofd:

“Ferit, vriend. Denk goed na. Deze bank verlaten is als een scheiding. Dat weet jij zelf ook.”

Toen het branden afnam, begon ik de geluiden om me heen weer waar te nemen.

Ayla zong in haar kamer. Yaman probeerde het lied waarvan hij de woorden niet kende, toch mee te zingen.

Van buiten klonken opgewekte, haastige autotoeters.
Nihal ruimde in de keuken de vaatwasser in en keek naar het net begonnen oudejaarsprogramma op televisie.

Ik pakte mijn cv en motivatiebrieven van mijn bureau. Ik wierp er nog snel een laatste blik op. Terwijl ik de papieren in mijn tas schoof, riep Nihal van boven:

“Feriiiit, lieverd! Kom nou! Baklava. Met walnoten! Huisgemaakt.”

Ik merkte dat de sombere uitdrukking op mijn gezicht verzachtte. Ik begon zelfs te glimlachen. De pijn van de aften voelde ik nauwelijks nog. Ik hoefde niet meer in de spiegel te kijken.

“Ik koooom! Voor mij drie! Nee, vijf! Het is oudejaarsavond!
Kinderen! Kom ook! Er is baklava!”

Ze leken me niet te horen en bleven zingen en lachen.
Ik liep naar boven.
Nihal zette theeglazen en baklavabordjes op de salontafel.

Toen ging mijn telefoon.

“Laat maar,” zei ik terwijl ik haar aankeek. “Vast iemand die nieuwjaar wil wensen. Ik bel later wel terug.”

“Nee, neem maar op,” zei ze. “Ik ga even bij de kinderen kijken.”

“Hallo?”
“Hallo, Ferit.”
“Met Ersumen.”
“Ersumen Bey, goedenavond. Hoe gaat het?”
“Goed. En met jou? Gelukkig nieuwjaar.”
“Voor u ook. Werkt u nog?”
“Ja, ik ben nog op kantoor. Ik ga zo weg.”
“En jij?”
“Wij zijn al thuis. We hebben gegeten. Nu zitten we wat televisie te kijken.”
“Goed. Luister, ik wil je iets vragen. Is er iets veranderd in je functie bij de bank?”

Ik stond op.

“Nee. Alles is hetzelfde. Een paar maanden geleden leek er iets te gebeuren, maar op het laatste moment ging het niet door.”
“Is je cv up-to-date?”

Ik begon langzaam heen en weer te lopen in de woonkamer.

“Ja. Onlangs nog bijgewerkt.”
“Stuur het me per e-mail.”
“Dat doe ik.”
“Hoe lang heb je bij Internal Audit gewerkt?”
“Acht jaar.”
“En in totaal bij de bank?”
“Dertien.”

Nihal kwam binnen en maakte een vragend gebaar.
Ik legde mijn vinger op mijn lippen. “Sst.”

“Mag ik vragen,” zei ik, “waarom u mijn cv wilt, Ersumen Bey? Is er een vacature waarvan u denkt dat die bij mij past?”
“Ja,” zei hij.

Even viel de lijn stil. Ik hoorde hem kort met zijn assistente praten.
“Heb je de reserveringen geregeld? Goed. Stuur me een mail. Fijne avond.”

Daarna richtte hij zich weer tot mij.

“Ik ben overgestapt naar Bank Astra. Er is een wijziging in het bestuur geweest. Ik ben daar lid van de raad van bestuur geworden. We willen de kwaliteit van het team verhogen. Het beleid is om ervaren en succesvolle mensen uit conventionele banken aan te trekken. We willen gebruikmaken van jouw ervaring binnen Internal Audit. We willen dat je hier komt, je kennis meebrengt en een systeem opzet. We willen je aanstellen als Head of Internal Audit, Ferit. Als jij dat wilt.”

Mijn stappen versnelden. De woonkamer leek ineens kleiner. Ik liep naar Nihal en drukte zacht een kus op haar wang. Met mijn hand maakte ik een gebaar: straks leg ik het uit.

“Ersumen Bey, dank u wel. Ik wil graag van deze kans gebruikmaken. Ik weet dat ik daar een wezenlijke bijdrage kan leveren.”

“Goed. Het kan even duren. Het is een belangrijke functie. Stuur me je cv zo snel mogelijk. De CEO en de overige leden van de raad van bestuur willen je persoonlijk spreken. Daarna leggen we het formeel voor. Zodra het besluit definitief is, wordt het contract opgesteld. Ik houd contact met je.”

“Prima. Ik wacht uw bericht af.”

Ik hing op. Ik sloeg mijn armen stevig om Nihal heen en drukte lange kussen op haar wangen.

“Lieverd, dit is het.”

“Wat bedoel je?”

“Je kent Ersumen Bey. Hij is nu lid van de raad van bestuur bij Bank Astra. Ze willen me aanstellen als Head of Internal Audit.”

In haar ogen verscheen een blik die me niet onbekend was.

Ze begon te zappen.

“Dus je gaat je dertien dienstjaren opgeven?”

“Zo zie ik het niet… Vind jij het geen goed idee?”

“Het is een grote stap.”

“Het is een enorme kans, Nihal. Daarna is het C-level. Ons inkomen zal minstens verdubbelen.”

Ze probeerde een stuk baklava op haar vork te krijgen. Het lukte niet. De vork tikte tegen het bord.

“Dus je gaat ontslag nemen?”

Ik voelde de steek in mijn tong opnieuw.

“Natuurlijk niet voordat het definitief is. Maar dit gaat gebeuren.”

“Denk er goed over na. Overhaast niets.”

“Wat maakt je ongerust?”

“Je hebt er jaren van je leven aan gegeven.”

“Dat klopt. Maar ze promoveren me niet. Hij zei letterlijk: ‘Wij hebben jou niets beloofd.’ Ik wil niet blijven stilstaan in de meest productieve fase van mijn carrière.”

Ik nam haar gezicht tussen mijn handen.
Ik legde mijn voorhoofd tegen het hare.

“Dit wordt een keerpunt in ons leven. Voor de toekomst van onze kinderen. Ik hou van je. Ik vlieg. Ik ben heel gelukkig. En ik wil dat met jou delen.”

Ze maakte zich los en stond op.

“Ik hou ook van jou. Laten we hopen dat het goed uitpakt. Wanneer wordt het duidelijk?”

“Dat kan een paar maanden duren.”

“Goed. Ik zet de vaatwasser aan.”

“Oké. Ik smeer nog wat van dat middel. Het prikt weer.”

Ik ging naar beneden. Naar de badkamer. Ik ging voor de spiegel staan. Stak mijn tong uit. Doopte het borsteltje in de rode oplossing. Streek het opnieuw over de wond. Kneep mijn ogen stevig dicht.

Weer verscheen Turgut Bey voor me.
“Ferit, denk goed na.”

Ik opende mijn ogen.
Buiten werd afgeteld.

Terwijl ik mezelf in de spiegel aankeek, telde ik mee:
5 – 4 – 3 – 2 – 1.

Gejuich steeg op van buiten.

Ik stak mijn tong uit.
De wond op het puntje was vuurrood geworden.

De laatste gewone dag van mijn leven
23 februari 2026

Dit verhaal had kunnen beginnen in een vluchtelingenboot.
Of in een internationaal vliegtuig, ingestapt met een valse identiteit.
Op de dag dat ik werd gearresteerd.
In de gevangenis.

Maar ik kies voor de ochtend van 5 september 2011.
Achteraf gezien was dat de laatste gewone dag van mijn leven.

Op 5 september 2011 werd ik wakker nog vóór de wekker afging.
Nihal lag nog diep te slapen.
Ik drukte een lange kus op haar wang.

“Ben je al wakker, liefje?” fluisterde ze slaperig, alsof ze nog droomde.
“Ja, ik ben wakker.”
“Zal ik ontbijt voor je maken?”
“Nee, hoeft niet. Ik eet wel iets kleins en ga dan weg.”
“Wat ben je toch lief.”
“Laat het me weten zodra je iets hoort, oké?”
“Maak je geen zorgen. Waarschijnlijk weten we het rond half twee. Jij bent de eerste die ik bel.”
“Oké… muuuuh.”

Daarna liep ik naar de kamers van de kinderen om te kijken of ze zich niet hadden blootgeworsteld uit hun dekens. Het was nog niet helemaal licht. In het halfdonker trapte ik bijna op iets van karton. Ik bukte om te kijken wat het was. Het was een pop-upboek dat opengevouwen een driedimensionaal huis vormde. Ayla had het waarschijnlijk open laten liggen. Het huisje was platgedrukt. Ik probeerde het voorzichtig terug te vormen, maar het lukte niet. Ik dacht dat ze verdrietig zou zijn als ze het zag. Ik legde het weg op een plek waar ze het niet meteen zou zien, trok de dekens over hen heen en verliet de kamer.

Ik opende de kledingkast. Een strak gestreken wit overhemd, een wijnrode stropdas, een donkerblauw pak en zwarte leren schoenen legde ik klaar voor na het douchen. Ik schoor me glad. Voor de spiegel trok ik mijn kleren aan. Na een snelle thee en een tosti pakte ik mijn tas en verliet het huis.

In het hoofdkantoor was de ochtenddrukte al begonnen.

“Ferit, goedemorgen,” hoorde ik achter me.
“Ooo, goedemorgen,” antwoordde ik.
Het was een collega uit mijn tijd bij de auditafdeling.
Met een veelbetekenende glimlach zei hij: “Zo, je hebt je donkerblauwe aangetrokken…”
Ik lachte. “Nee joh, niets bijzonders.”
Ik zei niets. Ik had mijn woord gegeven. Tot de officiële aankondiging zou ik zwijgen.

Ik nam de lift naar de 33e verdieping en liep eerst langs het kantoor van Turgut Bey - zoals wij onze leidinggevenden aanspraken- om hem goedemorgen te zeggen. Hij was er al.

“Goedemorgen.”
Hij glimlachte en maakte met zijn vinger een stiltegebaar.
Zonder geluid te maken bewoog ik mijn lippen: “Maak u geen zorgen. Alleen Nihal weet het.”

Ik ging naar mijn bureau. Collega’s die langs onze afdeling liepen wierpen blikken mijn kant op; ik meende gefluister te horen. Ik probeerde de glimlach van mijn gezicht te krijgen en serieuzer te kijken. Ik boog me over mijn rapporten, maar werkte niet echt. Ik sloeg papieren om zonder ze te lezen. Op mijn scherm klikte ik doelloos van het ene naar het andere.

Af en toe stond ik op om naar buiten te kijken.
De Bosporus lag er mooier bij dan anders.
Een glinsterende zee.
Een zon die je naar buiten riep.
Een strakblauwe lucht.
Zelfs achter het glas meende ik de geur van het water te kunnen ruiken.

Daarna liep ik naar de pantry en zette voor mezelf een zoete Turkse koffie.
Tegen de middag belde Turgut Bey me via de interne lijn.
“Ferit, kom even.”
Ik stond op en liep naar zijn kamer.
“Rauf Bey wil ons nu spreken.”

We namen de lift naar de 37e verdieping. In de reflectie van mijn telefooncamera streek ik snel mijn haar glad. Zijn assistente glimlachte en gebaarde dat we naar binnen mochten.

Hij was nog aan het telefoneren. Met een handgebaar nodigde hij ons uit te gaan zitten. We knoopten onze jasjes los en namen plaats.

Fluisterend vroeg hij: “Willen jullie thee?”
We knikten.
Hij hield de hoorn even af en riep zachtjes naar zijn assistente: “Drie thee graag.”

Na het gesprek draaide hij zich naar ons toe.

“Sorry jongens.”
“Hoe gaat het, Turgut?”
“Goed hoor.”
“En jij, Ferit? Alles goed?”
“Ja, dank u. Met u ook hoop ik.”

“Hoe lang werk je hier inmiddels?”
“Dertien jaar.”
“En bij Human Resources?”
“Vijf jaar.”

Hij leunde iets naar voren.

“Ferit, ik wilde je persoonlijk spreken. We zijn zeer tevreden over je prestaties. Je weet dat je waardevol bent voor ons. Je promotie stond eigenlijk al vast… sterker nog, we hadden je voor deze maand ingepland.”

Ik voelde een lichte misselijkheid in mijn maag. Ik slikte. Zijn woorden bereikten me niet meer volledig. Ik keek naar zijn gezicht alsof het een object was, terwijl hij verder sprak.

“Vandaag zouden we je benoeming tot manager bekendmaken. Maar de plannen zijn op het laatste moment gewijzigd. Het spijt me. Laat dit je motivatie niet aantasten. Er komen nieuwe kansen. Blijf gewoon zo doorgaan.”

Ik kon hem niet meer aankijken. Mijn schouders zakten. Ik zakte dieper in de stoel. Mijn handen werden ijskoud.

Op dat moment kwam de assistente binnen met de thee. Ik pakte het glas met beide handen. Ik staarde naar de opstijgende damp, die langzaam oploste in de lucht.

“Ferit,” herhaalde hij, “laat dit je niet breken.”

Ik ging rechtop zitten.
Legde mijn handen op mijn knieën.
Spande mijn kaken aan.

En nog vóór hij was uitgesproken, zei ik:

“Ik…
wil vertrekken.
Niet alleen uit deze afdeling…
maar uit deze bank.”

Yalova – Dallas – Silivri - Harderwijk
Tijdens het aftellen naar het nieuwe jaar
28 december 2025

Beste Commandant,

Over vijf dagen gaan we het nieuwe jaar in.

Zoals elk jaar voel ik ook dit jaar, nu oud en nieuw nadert, een zachte opwinding in mij. Pas onlangs heb ik ontdekt waarom ik me zelfs in de moeilijkste periodes van mijn leven ieder jaar rond oud en nieuw zo voel.

Het was veertig jaar geleden. Twee jaar na de staatsgreep van 1980. Ik zat in de tweede klas van de basisschool. We woonden toen in Yalova, destijds een district dat bij Istanbul hoorde.Ik was een ochtendleerling. Dat betekende dat mijn school van ’s ochtends tot de middag duurde.

’s Middags kwam ik uit school en ging naar huis. Mijn moeder was al met de voorbereidingen begonnen. Ze had mijn broer en mij vroeg naar bed gebracht, zodat we ’s avonds niet slaperig zouden zijn. Zodat we samen het nieuwe jaar konden ingaan en geen enkel mooi moment van de nacht zouden missen. Daarna een heerlijk diner. Vervolgens drankjes, desserts, fruit, noten.Zwart-witte amusementsprogramma’s op televisie.

De smaken, geuren en beelden van die avond hebben zich zo diep in mijn onderbewustzijn genesteld. Zelfs in de zwaarste periodes van mijn leven keren die warme gevoelens ieder jaar tijdens oudejaarsnacht terug en nestelen ze zich opnieuw in mijn hart.

Het is niet zo dat een oude jaarwisseling gewoon een andere oproept. Het lijkt eerder op het effect van Prousts madeleine.

Commandant, u herinnert het zich vast. Tijdens mijn diensttijd in Sarikamis hadden wij ook samen een oudejaarsnacht meegemaakt. Dat was bijna vijfentwintig jaar geleden. Het was ijskoud. Alles was bedekt met sneeuw. U had alle kortgedienden bij elkaar geroepen. We aten, we dronken. We zongen liederen. We hadden plezier. We lachten veel. Die nacht liepen we geen patrouilles. “Laat die klote patrouilles maar zitten. Deze nacht ook maar overslaan,” had u gezegd. Die nacht werd ons land door God beschermd.

Commandant, sinds mijn jeugd heb ik mooie herinneringen aan elke jaarwisseling. Ik heb nooit een oud en nieuw alleen doorgebracht. Tot aan 2017.

De nacht die 2016 met 2017 verbond, was de eerste oudejaarsnacht die ik alleen doorbracht.Ik was in Dallas, in de Verenigde Staten. Ik zat in de woonkamer van mijn studioappartement, dat ik met een boekenkast in tweeën had gedeeld. Ik las, luisterde naar muziek en schreef wat.Eigenlijk voelde ik dezelfde prettige opwinding als altijd, maar dit keer vermengde die zich met onrust en angst. Ik wist toen nog niet dat ze in 2017 mijn paradijs zouden stelen. Maar blijkbaar had ik het wel aangevoeld. Mijn angsten werden werkelijkheid.

Precies een jaar later, in de nacht die 2017 met 2018 verbond, bevond ik mij in de gevangenis van Silivri/Istanbul. Na het avondeten deed ik wat ik gedurende de dertien maanden die ik daar doorbracht bijna elke dag deed: ik nam het boek dat ik op dat moment las, mijn notitieboek en mijn pennen, en ging naar beneden. Ik keek met een half oog naar de oudejaarsprogramma’s op televisie, terwijl ik ondertussen las en aantekeningen maakte. Ik kon nog steeds niet bevatten wat ik het afgelopen jaar had meegemaakt. Mijn keel trok samen.En toch overheerste die oudejaarsopwinding en het gevoel dat alles weer goed zou komen. In de gevangenis denkt een mens dat hij er binnenkort uit zal komen en dat het leven daarna mooier zal zijn dan ooit tevoren.

Die gedachten zijn deels uitgekomen. Ik kwam inderdaad vrij uit de gevangenis. Zo begon ik 2019 in een appartement met één slaapkamer en een woonkamer, dat ik had gehuurd in Maltepe, Istanbul. Maar opnieuw alleen. Ik keek naar oudejaarsprogramma’s en werkte aan mijn masterthesis. Volgens mij begon ik dat jaar mijn eenzame oudejaarsnachten te tellen, en dit was de derde.

De oudejaarsnachten in Dallas en in de gevangenis verschenen opnieuw voor mijn ogen. De helft van mijn hart klopte nog steeds in Silivri. Ik voelde me nog altijd in de cel, tussen gevangenen die zonnebloempitten kraakten, praatten en wachtten op de dag dat ze hun vrijheid zouden terugkrijgen, terwijl op televisie oudejaarsconcerten klonken. Zonder te weten dat ik het jaar 2020 in een heel ander deel van de wereld zou beginnen, koesterde ik nog steeds hoopvolle dromen.

Commandant, na drie oudejaarsnachten die ik alleen had doorgebracht in Dallas, in de gevangenis van Silivri en in Maltepe, ging ik 2020 in, dit keer in de kleine Nederlandse stad Harderwijk, in een prefab kamer van een vluchtelingenkamp, nog kleiner dan de kamers in Silivri.

Ik lag als dood in mijn bed. Buiten maakten mensen zich klaar om oudejaarsavond te vieren.Ik daarentegen had werkelijk niets meer om te vieren, niets om me over te verheugen.

Zoals ik de afgelopen vier jaar gewend was geraakt, rekende ik uit de hoeveelste oudejaarsnacht dit was die ik alleen doorbracht en deed het licht uit. Ik trok mijn knieën op tegen mijn buik en sloeg de deken over mijn hoofd. Ik voelde me misselijk. Ik wilde alleen maar slapen.

Net toen ik in slaap dreigde te vallen, schrok ik op van explosies buiten. Ik stond op en deed het gordijn open. In verschillende delen van de stad schoten vuurpijlen de lucht in. Ik probeerde geen enkel vuurwerk te missen. Elke knal wekte een andere herinnering in mij.Mijn leven trok als een filmstrip aan mij voorbij.

Er waren nog maar enkele minuten tot het nieuwe jaar. Op dat moment kwam de zoete herinnering aan die mooie oudejaarsnacht uit mijn jeugd, samen met mijn moeder en broer in Yalova, opnieuw voor mijn ogen. Die vertrouwde warme gevoelens verspreidden zich weer in mij.

Samen met de mensen buiten begon ik af te tellen. 3-2-1... De hele hemel lichtte tegelijk op als dag. Een adembenemend schouwspel van licht en kleur.

Ineens voelde ik een troost in mij, een klein sprankje levensvreugde. Ik zei in stilte tegen mezelf:

“Hier, in dit mooie land, zal ik vanaf nul mijn eigen paradijs opbouwen.”

Gelukkig nieuwjaar, commandant
Ferit

 

Kijken naar de pijn van anderen
13 december 2025

Deze week stond in het teken van een vastzittende nek.
De pijn in mijn rechterarm, mijn schouders en mijn rug kwam samen met de pijn die deze verkramping in mijn nek veroorzaakte en bundelde zich in een hoofdpijn die mij zelfs het plezier in schrijven ontnam.

Eigenlijk weet ik heel goed wat de oorzaak is van al deze pijn en ongemakken.
Maar ik verzet me.
Ik wil niet naar de dokter en ik wil niet opnieuw met medicijnen beginnen.

Ik begon voor het eerst medicijnen te gebruiken na de diagnose gegeneraliseerde angststoornis in 2017. Volgens mij was het maart. Een maand nadat ik vanuit de Verenigde Staten was teruggekeerd naar Turkije. Een maand voordat ik de gevangenis in ging.

Ik ging naar een psychiatrisch ziekenhuis in Ankara.
Ik zei tegen de dokter:
‘Ik ben bang, dokter. Heel bang. Ik word gek als ik eraan denk dat ik onschuldig in de gevangenis gezet zou kunnen worden.’

De dokter antwoordde:
‘Zou het beter zijn geweest als je als schuldige de gevangenis in was gegaan?’

Toen ik later daadwerkelijk in de gevangenis belandde, kwamen die woorden van de dokter me vaak weer te binnen en moest ik er soms om lachen. Met deze vraag, die je dwingt steeds dieper na te denken en waarop nooit een eenduidig antwoord bestaat, wist hij een onuitwisbare indruk achter te laten in mijn leven en in mijn denken.

Aan het einde van datzelfde consult stelde hij bij mij de diagnose gegeneraliseerde angststoornis en schreef hij mij een sterk medicijn voor.
Zo begon ik aan een zware medicamenteuze behandeling vanwege de ‘angst om onschuldig de gevangenis in te gaan’.

Daarna werden mijn zorgen werkelijkheid.
Ik ging dus echt de gevangenis in.

Deze keer bezocht ik de gevangenisarts en legde ik hem mijn situatie uit. Natuurlijk zei ik niet: ‘Mijn vorige arts had dit medicijn voorgeschreven omdat ik bang was om de gevangenis in te gaan.’
Als ik dat wel had gezegd, had ik waarschijnlijk te horen gekregen: ‘Nu je toch al in de gevangenis zit, heb je dit medicijn vanwege die angst niet meer nodig.’

In de gevangenis worden de medicijnen door bewakers gebracht. Elke dag brengen ze precies de dosis die je moet innemen en laten ze je die innemen. Je mag nooit een doosje medicijnen bij je houden.
Want ook al laat onze staat haar burgers onschuldig in de gevangenis wegkwijnen, zij wil niet dat zij zichzelf van het leven beroven. Om dat te voorkomen neemt zij alle nodige maatregelen. Tot het afnemen van schoenveters aan toe, zodat men zichzelf niet kan ophangen. Messen langer dan een fruitmes zijn verboden. De medicijnen laat men door eigen bewakers uitdelen.

Zo brachten de bewakers ook mijn medicijn. Na de avondtelling en het avondeten. Tussen negen en tien uur ’s avonds hoorde je eerst het geknars en gerammel van het kleine luikje in de grote ijzeren deur van de cel, gevolgd door de stemmen van de bewakers die onmiddellijke gehoorzaamheid verwachtten.

‘Ferit! Waar is Ferit? Roep Ferit!’

Bewakers willen niet wachten. Ze hebben altijd haast. Bovendien laat je een staatsambtenaar niet wachten.

Als ik op dat moment sliep, op het toilet was of naar de radio luisterde en het geroep niet hoorde, raakte de hele cel in paniek.Niemand wilde dat onze verhouding met de bewakers verslechterde. Bewakers zijn misschien wel de belangrijkste mensen met wie je in de gevangenis geen problemen moet krijgen. En als je het goed met hen kunt vinden, kan dat zelfs voordelen opleveren. Bijvoorbeeld bij het uitdelen van het middag- of avondeten: een paar extra pollepels soep, een paar extra kippenbouten.

Daarom begonnen degenen die de stem van de bewaker hoorden en merkten dat ik nog niet te zien was, heen en weer te rennen, mij te zoeken en mijn naam te roepen.

‘Ferit abiii! Abiii! Het medicijn is er abii! Kom snel, abi! Vergeet je water niet!’

Wanneer ik met een glas water in mijn hand naar de ijzeren deur liep en mijn gezicht liet zien, leek iedereen ineens opgelucht, alsof ze uit de gevangenis waren vrijgelaten en hun vrijheid hadden teruggekregen. Daarna gingen ze gewoon verder met waar ze mee bezig waren.

Hoewel de nors kijkende bewaker mij inmiddels kende en het volle glas water in mijn hand zag, speelde zich elke keer opnieuw hetzelfde gesprek af:

‘Ben jij Ferit?’
Ja, ik ben het.
Heb je je water, Ferit?
Ja, heb ik.
‘Slik het medicijn maar door, Ferit.’

Nadat ik het medicijn met water had doorgeslikt, zei hij:
‘Doe je mond open, Ferit. Laat zien dat je het hebt doorgeslikt.’

De bewakers vertrekken pas als ze met eigen ogen hebben gezien dat je het medicijn echt hebt ingenomen.
Daarom is het in de gevangenis ook onmogelijk om niet-ingenomen medicijnen te verzamelen en een zelfmoordpoging te doen.

Het is inmiddels meer dan zeven jaar geleden dat ik ben vrijgelaten. Af en toe vertel ik wat mij is overkomen aan de mensen om mij heen, bij verschillende gelegenheden, en kijk ik daarna naar hun gezichten. Ik zoek in hun ogen naar een oprechte, diep gevoelde compassie. Maar telkens weer word ik teleurgesteld. Mensen kijken naar mij alsof ze naar een foto kijken, alsof ze een film bekijken, alsof ze naar een lied luisteren. De tijdelijke uitdrukking van empathie en verdriet verdwijnt al snel weer, en glimlachend zeggen ze dat ik een goed verhaal heb verteld. Daarna lopen ze weg.

Op zulke momenten denk ik aan Susan Sontag, die gewetensvolle vrouw die ik net zo bewonder als Hannah Arendt, en aan Kijken naar de pijn van anderen.
‘Maar,’ vraag ik mezelf af, ‘weet ik eigenlijk wel hoe je naar het lijden van anderen moet kijken? Kijk ik zelf ook niet naar wat er om mij heen en in de wereld gebeurt met dat verborgen gevoel van vermaak dat hoort bij het kijken naar een drama- of thrillerfilm?’

Net als bij zoveel andere vragen die ik mezelf stel, heb ik hier ook geen helder antwoord op.

Maar ik weet heel goed waar de pijn en ongemakken vandaan komen die deze week al mijn plezier hebben bedorven. Toch verzet ik me. Ik wil niet naar de dokter en ik wil niet opnieuw met medicijnen beginnen. 

Ik wacht, alsof ik op Godot wacht, en herhaal, zoals Nederlanders zo vaak zeggen, in stilte, als het tellen van de kralen van een rozenkrans:

‘Alles komt goed.’

 

Ik wil niet sterven, dokter!
4 december 2025

Ik wil niet sterven, dokter! Ik wil schrijven.
Onophoudelijk schrijven.
En die vrouw eens goed laten zien.
Die vrouw die mijn teksten kleineerde.
Die vrouw die insinueerde dat ik geen schrijftalent heb.

“Het schijnt therapie te zijn… Je lucht je hart…
Pijn laat een mens schrijven…”

Elke keer dat ik eraan denk, scheld ik haar in gedachten uit
met alle vloeken die ik ken.

Zie je het, dokter?
Het is me eindelijk gelukt.
Eindelijk kon ik me echt op iemand boos maken.

Toen probeerde u me bijna uit te dagen om mijn woede te tonen.
“Je beste vriend M,” zei u.
“Je ex-vrouw,” zei u.
“Mensen die je niet meer bellen, je vader, zij die vals tegen je getuigden,
zij die jou de gevangenis in hebben gestuurd…”

Ik zweeg.
Ik sloot mijn ogen en tastte lang mijn hart af.
Ik riep de meest pijnlijke herinneringen op,
maar geen enkele wekte bij mij woede, boosheid of haat op.

Hoe dan ook.
Zoals ik al zei… ik wil niet sterven, dokter.
Ik wil die vrouw haar plek wijzen.
Ik heb nog een onafgemaakt werk op deze wereld.

Weet u, dokter?
Als je hier met klachten van zware depressie naar een arts gaat,
komt op een passend moment altijd die vraag:

“Denkt u aan zelfmoord?”

Elke keer dat ze dit vragen, moet ik lachen.
Want ik hoor de vraag steeds als:

“Dit is ook een optie, toch? Zou je het niet overwegen?”

U zei zes jaar geleden precies hetzelfde tegen mij:

“Waarom ga je niet naar het buitenland?
Waarom vlucht je niet?
Dit is ook een optie, toch? Zou je het niet overwegen?”

Ik geef toe, dokter: na die sessie moest ik telkens lachen
wanneer het in me opkwam.
En ik vertelde het ook aan mensen om me heen.
De stand van de psychologie en de praktische oplossingen
die onze artsen tegenwoordig aandragen… werkelijk bewonderenswaardig.

Ik had u toen ook verteld dat ik een maand voor mijn arrestatie
in Ankara een andere collega van u had opgezocht.

“Ik ben bang, dokter,” had ik gezegd. “Heel bang.”
“Waarom?” vroeg hij.

“Omdat,” zei ik,
“Ik geen greintje schuld heb.
De gedachte dat ik onschuldig jaren in de gevangenis kan wegrotten
maakt me bang en gek.”

Hij gaf me dit antwoord:
“En als je wel schuldig zou zijn,
zou het dan beter zijn om de gevangenis in te gaan?”

Hoe dan ook… we hadden het over zelfmoord, dokter.

Wanneer de artsen hier mij deze vraag stellen, zeg ik:

“Nee, nee, daar denk ik niet aan.”

‘’Maar soms denk ik aan een andere versie:
’s Avonds gaan slapen en ’s ochtends niet meer wakker worden…
Van alles bevrijd zijn…
Net zoals ik uit mijn land ben gevlucht,
ook uit dit wereldse leven vluchten…’’

Vluchten, en je leven op eigen beslissing beëindigen als één van de vormen van vluchten.
Eigenlijk een gedachte die als laatste redmiddel rust geeft, dokter.

In ‘’De Steppewolf’’ van Herman Hesse zegt Harry Haller:

“Zelfmoord was voor mij altijd een openstaande deur;
alleen al het idee dat die deur bestond, stelde me gerust.”

Vroeger was ik veel banger voor de dood, dokter.
Voor wat er daarna zou komen,
voor wat mij te wachten stond.
Ik probeerde mijn leven vorm te geven
door steeds aan het hiernamaals te denken.

Niet alleen door mijn geloof.
Ik had in mijn jeugd een boek gelezen:
De Zeven Eigenschappen van Effectieve Mensen
Een van die eigenschappen was: “Begin met het eind voor ogen.”

“Alsof je tachtig bent…
op de veranda zit…
en terugkijkt.
Wat zou je dan bereikt willen hebben?’’

Het zijn nu zulke saaie clichés, dokter.
Het doet denken aan bedrijfstrainingen.

Maar toen nam ik “het eind”, na de dood,
als de laatste scène.
Daarom was ik bang voor de dood.
Omdat ik dacht dat, als ik langer leefde,
ik meer kans had om te ontsnappen
aan mogelijke straf voor mijn kleine zonden destijds,
of misschien om een plek iets hoger in de hemel te verdienen.

Ik sprak er ooit met M. over, een avond.
Twintig jaar geleden.
Ik weet niet hoe we op dat onderwerp kwamen.

Maar ik vertelde hem dit allemaal: mijn gedachten, mijn angsten…
En dat ik bang was voor de dood.

“Zolang ik leef,” zei ik,
“heb ik nog altijd een kans op een beter einde.”

M. zweeg even.
Hij nam een trek van zijn sigaret
en blies de rook uit het autoraam.
Dat deed hij zelfs bij de onbelangrijkste gesprekken,
en de sigaret stond hem zo goed dat het hem charismatischer maakte dan hij eigenlijk was.
Toen zei hij:

“Hoe weet jij dat?
Hoe weet je dat je, als je langer leeft,
geen veel slechter mens wordt?
Veel grotere fouten maakt?
Veel zwaardere zonden begaat?
Misschien ben je nu op je best.
Misschien is precies nú sterven
de beste optie voor jou.”

Maar wat hij zei, heeft nu geen betekenis meer.

Want wat er na de dood gebeurt
houdt mijn geest niet meer zo bezig.
Wat mij bezig houdt, is hoe ik zal sterven
en wat ik achter zal laten.

Ik wil niet sterven terwijl ik pijn lijd, dokter.
Of afhankelijk ben van de zorg van anderen…

En ik wil niet dat, als ik dood ben,
er uit mijn huis, uit kasten, uit laden, uit de zakken van mijn overhemden, jassen en mantels
iets tevoorschijn komt dat nare gedachten over mij oproept.

Er was die Lelijke S.
Zijn dood was zo plotseling.
Hij kreeg een ongeluk toen hij zijn dochter van school ging halen.
Er werden viagra-tabletten in zijn bureaulade gevonden.
M. had het me verteld.

Mensen vullen de gaten in verhalen
altijd in volgens hun eigen blik, doktor.

Ik wil een heel opgeruimd huis achterlaten.
Een geventileerd huis…
Alle spullen op hun plek…
Geen vuile vaat, geen was…
Het bed opgemaakt…
Alle persoonlijke notities en dagboeken vernietigd.
Alsof er daarna een logé in mijn huis zal komen slapen.

Maar dat is nu allemaal niet belangrijk, dokter.
Maakt u zich alsjeblieft geen zorgen om mij.
Ik ben absoluut niet van plan
een einde aan mijn leven te maken.

Ik wil helemaal niet sterven, dokter.
Ik wil schrijven.
Onophoudelijk schrijven.
En die vrouw haar plek laten zien.
Die vrouw die insinueerde
dat ik geen schrijftalent heb.

 

Het enige wat mij nog aan het leven bindt, is dit dagboek
27 november 2025

Lieve Suzan,

Het enige wat mij nog aan het leven bindt, is dit dagboek, daarom schrijf ik. Ik lees mijn eigen woorden niet eens terug. Ik begon met schrijven toen ik in de gevangenis zat, maar eigenlijk pas echt daarna, toen ik volledig alleen achterbleef.

Weet je, Suzan, wat het grootste voordeel is van eenzaamheid voor iemand die graag schrijft? Je schrijft zonder angst, zonder terughoudendheid. Je vertelt alles wat er in je leven gebeurt, je lucht je hart, je noemt zelfs de echte namen van mensen, je schrijft alles precies zoals het was, zonder iets aan te passen.

Maar je komt niet zomaar op dat punt. In het begin, wanneer je nog niet gewend bent aan de eenzaamheid, aarzel je om bepaalde gebeurtenissen, gedachten of gevoelens op te schrijven, en als je het al opschrijft, kras je die stukken meteen door zodat niemand ze ooit kan lezen, of je vernietigt die pagina’s na het schrijven.

Maar naarmate de tijd verstrijkt en je de eenzaamheid en haar verleidelijke voordelen accepteert, valt die angst langzaam van je af. Je stopt met zelfcensuur, je stopt met krassen, je stopt met weggooien. En als je niet af en toe in paniek raakt door de gedachte: “Wat als mij iets overkomt en de mensen die hier na mij binnenkomen dit allemaal lezen en doorvertellen?”, dan beginnen je notities zich langzaam op te stapelen.

Je schrijft op alles wat je kunt vinden, op elk moment. Notitieboekjes van verschillende formaten met aantekeningen en krabbels raken verspreid door het hele huis, en worden zelfs vergeten.

Tussen de boeken in de boekenkast, achter in lades, in het voorvak van een oude rugzak die je niet meer gebruikt, in een koffer die je na een vakantie nooit helemaal hebt uitgepakt, tussen stofnesten onder een bank die je al maanden niet hebt gestofzuigd, of ineens in de zak van een oude jas die je al lang niet hebt gedragen, daar vind je plots aantekeningen van jaren geleden.

Het meest romantisch vind ik de enveloppen. In de eerste weken dat ik hier kwam wonen, bewaarde ik alle enveloppen van de gemeente en de belastingdienst. Ze hadden nog lege stukken die ik kon benutten, het voelde zonde om ze weg te gooien. Ik wilde geen geld uitgeven aan notitieblokken, maar vooral: schrijven op zo’n gescheurde envelop gaf mij een vreemd, bijna gelukkig gevoel. Ik dacht dan aan interviews met grote schrijvers.

“Voor mij maakt tijd of plek niet uit om te schrijven, een pen en een stukje papier zijn genoeg. Soms schrijf ik op een servetje, soms op de achterkant van een envelop, soms op een sigarettenpakje.”

Omdat door de jaren heen steeds minder mensen mijn huis binnenkwamen, verdween de angst dat iemand mijn notities zou vinden langzaam naar de achtergrond, en als ik een keer een zeldzame bezoeker verwachtte, controleerde ik alleen even of er nergens in het zicht een notitieboekje of een aantekening lag die ik moest verstoppen.

In het begin schreef ik nooit namen voluit. Ik dacht: als ik dit ooit opnieuw lees, zal ik mij al die mensen toch wel herinneren. En het kwam natuurlijk ook door die oude angst: “Wat als iemand dit leest?”

Daarna koos ik ervoor alleen de beginletters te gebruiken. Ik merkte dat ik bepaalde gebeurtenissen begon te vergeten, en als ik mensen met hun naam in gedachten nam, kwamen de herinneringen veel levendiger terug.

Bijvoorbeeld:

“‘Ik vroeg het aan B, hoe zal ik je herkennen als we afspreken, wat ga je dragen, welke kleur haar heb je eigenlijk?’ ‘Blond,’ zei B. Ik was meteen van de wereld. B was blond dus. In het hoofd van geen enkele jonge Turkse man bestaat het beeld van een blonde vrouw die niet ontzettend mooi is. ‘Maar ben je echt blond?’ vroeg ik. ‘Ja,’ zei B, ‘honderd procent echt blond, en mijn ogen zijn blauw.’”

Na verloop van tijd begon ik de echte namen van mensen te gebruiken, precies om die reden, de moed die voortkomt uit eenzaamheid en uit de overtuiging dat toch niemand dit zal lezen.

Maar het blijft riskant, lieve Suzan. Wij gewone mensen willen dat risico meestal niet nemen. Je denkt altijd: “Wie ben ik nou, wie zou dit ooit lezen, en waarom zou iemand het iets kunnen schelen?”, maar toch blijft ergens de angst bestaan dat iemand het ooit leest.

Daarna probeerde ik de mensen in mijn dagboek andere namen te geven. Ik probeerde hun verhalen aan te passen, te veranderen, alsof ik personages creëerde. Maar het lukte niet. Zodra ik de naam veranderde, kon ik de herinnering niet meer helder voor me zien, dus ging ik terug naar de beginletters.

Lieve Suzan,

In mijn dagboek schrijf ik brieven die ik je nooit zal sturen. Zo worden ze, denk ik, veel eerlijker dan brieven die wel verzonden kunnen worden.

Ik heb altijd van brieven gehouden.

Mijn vader ging failliet toen ik op de basisschool zat, hij vluchtte voor zijn schuldeisers, hij nam ons overal mee naartoe. We verhuisden naar Yalova, een stad aan de kust van de Zee van Marmara die vroeger nog bij Istanbul hoorde. Daar schreef ik brieven aan mijn klasgenoten in Ankara, aan mijn juf, aan mijn oma die nog in Ankara woonde. Na school ging ik langs de kantoorboekhandel om briefpapier en enveloppen te kopen. Ik legde een gelijnd vel onder een ongelijnd vel zodat de regels recht bleven. Ik begon mijn brieven altijd zo:

“Lieve vrienden en waarde juf, hoe gaat het met jullie? Met mij gaat het heel goed, ik mis jullie allemaal heel erg. Missen jullie mij ook?”

Jaren later, tijdens mijn studietijd in Istanbul, schreef ik brieven met A, mijn buurmeisje uit Ankara, zij woonde precies tegenover ons balkon. Destijds hadden we nog geen mobiele telefoons. A was een prachtig, levendig meisje met grote donkere ogen als olijven. Ze was een paar jaar jonger dan ik. Haar levenslust vulde mij ook met levenslust, net als B, over wie ik het vaakst schrijf in mijn dagboek. Maar mijn brieven aan A waren geen liefdesbrieven. Mijn gevoelens voor haar zweefden ergens tussen vriendschap en liefde. Soms zeiden we wel eens dingen die de grens van vriendschap raakten, maar we hebben die grens nooit overschreden.

Lieve Suzan, soms stel ik mij voor dat ik op de dag dat ik hier vertrek een brief in je brievenbus stop, een brief waarin ik alles vertel vanaf het begin tot nu, vanuit mijn eigen perspectief, met mijn eigen handschrift, op ongelijnd papier, met een vulpen geschreven. Een brief waarin ik vertel hoe puur en oprecht en onbaatzuchtig en warm ik je heb liefgehad, hoe diep de tederheid is die ik voor je voel, hoe mijn hart je soms als een zus ziet, hoe ik in stilte en vanuit de diepte van mijn hart voortdurend bid voor jouw gezondheid en geluk.

Het idee om jou zo’n echte brief te schrijven maakt me op een mooie manier zenuwachtig, maar zodra ik denk aan het feit dat deze woorden voor jou waarschijnlijk niet dezelfde waarde zouden hebben, misschien zelfs helemaal geen waarde, misschien zou het je boos maken of verdrietig, verdwijnt al die moed meteen.

Lieve Suzan,

Het enige wat mij nog aan het leven bindt, is dit dagboek, daarom schrijf ik. Ik lees mijn eigen woorden niet eens terug. Ik begon met schrijven toen ik in de gevangenis zat, maar eigenlijk pas echt daarna, toen ik volledig alleen achterbleef.

Eenzaamheid en schrijven, dat is mijn lot.

Liefs,
Ferit