Het weekend in,
met Erik Jan Harmens
(een wekelijkse selectie uit zijn dagelijkse blogs)
2026
STOCKBESOFFEN (15 FEBRUARI)
Gisteravond laat na de legendarische en onvergetelijke presentatie van de nieuwe dichtbundel van mijn zoon Julian in de Utrechtse Boekenbar, nam ik de trein terug naar Amsterdam. De deuren gingen open en ik zag mezelf geconfronteerd met een grote groep carnavalvierders.
Stockbesoffen wierpen ze zich van het balkon, het perron op. Allen gekleed in bij bol.com bestelde volledig van polyester vervaardigde ‘iconische partyoutfits’. Eergisteren besteld, gisteren bezorgd, thans onder de kots.
STILTECOUPÉ (10 FEBRUARI)
Ik trek stiltecoupés niet. Omdat mensen in stiltecoupés niet stil zijn. In het beste geval praten ze met anderen op fluistertoon, vaker doen ze het gewoon hardop.
Als je wilt dat het ophoudt, moet je ze vermanend toespreken. Op de belettering in het raam wijzen: ‘Sorry, dit is een stiltecoupé.’ Dan gaan ze ostentatief hun mond houden, omdat ik ze dat heb gevraagd. En dan voel ík me opgelaten.
BEN IK NIET (3 FEBRUARI)
Ik moet altijd zo lachen om die reclame waarin iemand op een totaal ongepast moment, bijvoorbeeld als hij aan een klif hangt en op het punt staat om in een ravijn te pletter te storten, de vraag krijgt: ‘Ik wist niet dat je roos had..?’ En dat hij dan antwoordt: ‘Heb ik niet!’
Ik zou het grappig vinden als mensen in het werkelijke leven ook zo zouden antwoorden. Dat iemand tegen mij zegt: ‘Ik wist niet dat je al zestig was.’ En dat ik dan antwoord: ‘Ben ik niet!’
OVERKOMEN (31 JANUARI)
Ik kom op mensen niet altijd aardig over. En dat terwijl ik wel aardig over wil komen.
Kun je nagaan hoe ik over zou komen als ik niét aardig over zou willen komen.
OVERKOMEN (2) (1 FEBRUARI)
Ik kom op mensen niet altijd aardig over. ChatGPT bevestigt ’t.
Ik vroeg: ‘Is Erik Jan Harmens aardig?’ Het antwoord: ‘Dat hangt er een beetje vanaf wat je met aardig bedoelt. Je hoort meestal over hem dat hij niet bekend staat als de altijd-glimlachende smalltalker. In interviews en optredens kan hij kortaf, fel of ongemakkelijk overkomen.’
OVERKOMEN (3) (2 FEBRUARI)
Ik kom op mensen niet altijd aardig over. ChatGPT bevestigt ’t.
Ik vroeg: ‘Is Erik Jan Harmens aardig?’ Het antwoord: ‘Niet per se gezellig-aardig. Niet lief-doenerig, wel echt. Niet altijd makkelijk, wel integer. Of, zoals je ’t ook zou kunnen zeggen: hij is waarschijnlijk niet aardig tegen iedereen - maar wel eerlijk tegen zichzelf. En daar moeten sommige mensen even aan wennen.’
Terwijl ik in de touwen hing om dit te verwerken, had ChatGPT nog een vraag: ‘Wil je dit weten uit nieuwsgierigheid, of omdat je ‘m ergens hebt meegemaakt/gaat ontmoeten? 👀’
Mijn antwoord: ‘Omdat ik hem bén.’
CARROUSEL (30 JANUARI)
Een uur voor mijn optreden zit ik in Tilburg in een vol restaurant. Het is rond van vorm en heet ‘Carrousel’: tot zover alles helder.
Eigenlijk moet ik plassen, maar ik heb een grote tas mee met een laptop erin. Ik kan iemand vragen om op mijn tas te letten, maar als ik dat doe denken de andere gasten dat ik ze niet vertrouw.
Ik kan het ook niet vragen, maar wat doe ik dan als ik terugkom en mijn laptop is gejat? Wie moet ik dan verdenken?
STROOIWAGEN (29 JANUARI)
‘Strooiwagen van de weg gegleden.’
Dat vind ik zielig. Had er maar een strooiwagen voor de strooiwagen uit gereden.
FRANKFURT (26 JANUARI)
Gisteren naar het concert van Tom Skinner geweest, hij trad met zijn band op in het BIMHUIS in Amsterdam. De avond ervoor had hij in Frankfurt gestaan en de naam van die stad sprak hij uit alsof hij de onderkant van zijn schoenzool beschreef nadat hij in de poep had getrapt: ‘Fránkfúrt!’
Het concert was fantastisch, wat een band. Het grootste deel van het optreden had ik mijn ogen dicht, om me te concentreren en ook omdat we naar de ruggen keken van saxofonisten Chelsea Carmichael en Robert Stillman en die heb je op een gegeven moment wel gezien.
Een derde reden om niet te kijken was dat iemand schuin voor ons zo’n beetje het hele concert lang zat te appen. De neiging om de telefoon uit zijn handen te trekken en pas weer terug te geven na het eindapplaus, kon ik alleen bedwingen door te fantaseren dat hij contact hield met een ernstig zieke vriend die hij via de moderne techniek van dit geweldige concert op de hoogte hield.
OVERGEVOELIG (23 JANUARI)
Ik gaf dinsdag een lezing over Het grote autismeboek in Vroomshoop. Ten overstaan van een in grote getalen toegestroomd publiek vertelde ik waarom ik me zes jaar geleden op ASS heb laten testen.
Daar waren allerlei redenen voor, een ervan was dat sociale interacties voor mij voelen alsof ik achter een rijdende trein aan ren die nét te hard rijdt om op te springen. En ik wíl er zo graag op springen omdat de mensen in de trein zich heerlijk comfortabel lijken te laten vervoeren, terwijl het mij zoveel inspanning kost om vooruit te komen.
Een andere reden was dat ik extreem gevoelig ben voor dingen. Voor allerlei soorten geluiden en liedjes en riedels en ook voor licht en ook voor kleuren. Ik heb niks om me ertegen te verdedigen, bovendien lijken anderen er niet door te worden aangevallen.
Ook verdraag ik aanrakingen vaak niet, zowel de alledaagse niet als de intiemere. En zeggen mensen mijn leven lang al tegen me dat ik zo gevoelig ben voor dingen. ‘Jij bent echt óvergevoelig,’ zeggen ze dan. Maar overgevoelig is ‘een overdreven lichamelijke of geestelijke reactie op een situatie’ en overdreven betekent: ‘meer dan normaal, meer dan nodig’ en dat komt er dan dus op neer dat ik iets verkeerd doe, terwijl ik juist af wil van de zelfgeseling, dus zocht ik naarstig naar een woord waarmee ik mezelf heel kan houden, in plaats van kapotmaak. En dat woord is er: het begint met ‘au’ en eindigt op ‘tisme’.
En dat woord werd een stuk drijfhout in de oceaan waaraan ik me vast kon klampen om me mee te laten voeren. Nog niet comfortabel, zoals in een trein. Maar vooruit gaat het al wel.
DU-DU-DU-DU-DU-DU-DU-DU-DRUM (19 JANUARI)
Vandaag is het Blue Monday en het is toch van de ratten besnuffeld dat we 364 dagen per jaar geen oog hebben voor mentale gezondheid en die ene dag van het jaar wél, maar dan als gebbetje.
Daar staat tegenover dat Blue Monday ook de titel is van het bekendste nummer van New Order. Ik weet nog dat ik 13 was en het voor het eerst op de radio hoorde: die du-du-du-du-du-du-du-du-drum! En ook de eindeloosheid, want het kwam alleen uit op ‘12 inch’ en duurde zevenenhalve minuut.
En dan nog die tekst:
How do I feel?
Still find it so hard
And I'm quite sure that you'll tell me
Just how I should feel today
Hoe gaat het vandaag met mij? Ik hoor het graag van je, op erikjan@erikjanharmens.nl.
INSPIREREND (18 JANUARI)
Regelmatig wordt een lezing van mij aangekondigd als: ‘Inspirerende lezing door Erik Jan Harmens’.
Maar dat kun je nog helemaal niet weten, of het inspirerend gaat zijn. Zoiets weet je pas achteraf. Dat je naar huis loopt en denkt: dat was inspirerend. Of je denkt: een deel van de lezing vond ik inspirerend. Of: ik vond het in het geheel niet inspirerend.
Ik hoop natuurlijk op het eerste, maar zekerheid is er nooit. Daarom stel ik voor dat we een lezing van mij voortaan zo aankondigen: ‘Mogelijk inspirerende lezing door Erik Jan Harmens’.
IEDERS DAG (16 JANUARI)
Ik ging in de trein niet eens meer doén alsof ik een boek las. Hield niet eens een boek meer in mijn hand. Keek óók niet op mijn telefoon: content werd ververst zonder dat ik er erg in had. Voor mijn part brandde as we speak zowel het Kremlin als the White House af.
Mijn oog viel in de coupé op een bordje: ‘Een praatje of een glimlach maakt ieders dag.’ Niet ieders dag, dacht ik. Niet de mijne. Want als iemand naar me lacht, denk ik dat ie iets van me wil. Geld. Mijn handtekening onder een kansloze petitie. Iets met seks.
En waarover zou ik een praatje moeten maken? Over de trein, dat ie rijdt? Dat buiten het landschap aan ons voorbijtrekt? Of eigenlijk andersom: wij bewegen, het landschap laat het zich overkomen.
COULISSEN (14 JANUARI)
Volgende week dinsdag 20 januari geef ik een lezing over autisme in Vroomshoop. Dat ligt niet heel ver van Almelo, maar op zich ligt Amsterdam dat ook niet. Een kaartje reserveren doe je hier.
De lezing vindt plaats in een activiteitencentrum. Bij dat woord denk ik aan rennen en springen, maar ik neem aan dat iedereen netjes op zijn stoel blijft zitten. Vanaf 19.30 uur is iedereen welkom voor koffie en thee en ‘een ontmoeting met anderen’. Voor mensen die daar niet per se behoefte aan hebben, is er ook de mogelijkheid om meteen naar de zaal te lopen en daar op een stoel te gaan zitten wachten tot het begint.
Dat is een van mijn favoriete bezigheden: gaan zitten en wachten tot het begint. Dat ga ik volgende week dinsdag dus ook doen, alleen gééf ik de lezing, dus ik wacht niet in de zaal maar in de coulissen.
ASTRID (11 JANUARI)
Astrid Roemer is overleden. Lieve, prachtige Astrid. Toen ik 16 was stuurde ik mijn eerste gedichten aan haar op. Daarop kreeg ik een briefkaart terug met een uitnodiging om op de koffie te komen. Bij haar thuis in Den Haag vertelde ze dat ze me maar één ding wilde meegeven: ‘Blijf schrijven.’ Ze zei het vijf keer, als een spijker die je steeds dieper in een muur slaat. Die spijker is er nooit meer uit gegaan.
Vele jaren later sprak ik haar in Gent waar ze was neergestreken. Ze had net haar beste boek uitgebracht, wat ik je van harte aanraad om te lezen. Astrid was op de vlucht, haar achtervolgers noemde ze ‘ze’. Er stond een camera op mij gericht, door de deuropening kon ik de belendende kamer in kijken. Daar stond een beeldscherm en daarop zag ik mijzelf. Ons gesprek werd wel een beetje meta zo.
Steeds kwamen we elkaar weer tegen, vorig jaar juni voor het laatst, bij Poetry International in Rotterdam. Astrid dwaalde door de gangen van het theater. Toen ik haar vroeg waar ze naartoe moest, ontkende ze dat ze ergens naar onderweg was.
DIEPVRIESWAARDEN (9 JANUARI)
Weerbericht: ‘Waarschijnlijk wordt het grijs regenweer, maar elfstedenvorst is niet compleet uitgesloten.’
Ik: ‘Wát, elfstedenvorst? Wordt het zó koud?!’
Weerbericht: ‘De temperatuur komt vanaf dinsdag waarschijnlijk niet meer onder nul. Maar dertig doorrekeningen komen ook uit op ronduit ijskoud weer. De kans op diepvrieswaarden is niet nul.’
Ik: Dertig doorrekeningen, zo veel? En die voorspellen ronduit ijskoud weer! Mogelijk zelfs diepvrieswaarden! Of nou ja, de kans daarop is niet nul. Als het niet nul is, wat is het dan wél?
Weerbericht: ‘Voor die dag staan er zoveel sneeuwsymbooltjes op de weerkaart, dat je de landsgrenzen van Nederland, Duitsland en België amper meer kunt zien.’
Ik: ‘We zijn verloren. Je kunt verdomme de landsgrenzen amper nog zien.’
Weerbericht: ‘Het hoeft maar een klein beetje te kantelen, of de kou komt weer onze kant op.’
Ik: We zijn verloren, als het maar een klein beetje kantelt.
Weerbericht: ‘Een ijzig koudefront ligt klaar om onze kant op te trekken, als de weergoden zo beschikken.’
Ik: Waar zijn die weergoden, zijn ze vatbaar voor een smeekbede?
Weerbericht: ‘Het wordt onstuimig winterweer in Nederland, zoals we afgelopen jaren zelden zagen.’
Ik: We zijn verloren. Er is geen hoop meer. Vaarwel iedereen. Het was een mooi leven.
EINDPUNT (2) (8 JANUARI)
Ik woon vlak bij de eindhalte van de bus. Steeds vraag ik me af of ik wel of niet op de knop moet drukken als we de een na laatste halte zijn gepasseerd.
Ik doe het altijd wel, maar wannéér druk ik? Soms doet iemand het net voor de denkbeeldige finishlijn, als de chauffeur al vaart aan het minderen is. Dan nog drukken vind ik amateuristisch.
Net nadat we de een na laatste halte zijn gepasseerd, is dan weer te vroeg. Dan ben ík er de oorzaak van dat al mijn medereizigers honderden meters lang naar zo’n fel rood licht moeten zitten kijken.
Ergens in het midden ligt de oplossing. Dat is meestal het geval, wat niet eenvoudig is voor iemand die alleen maar denkt in uitersten.
EINDPUNT (6 JANUARI)
Ik woon vlak bij de eindhalte van de bus. Steeds vraag ik me af of ik wel of niet op de knop moet drukken als we de een na laatste halte zijn gepasseerd.
Via de intercom wordt de naam van de laatste halte omgeroepen, met daaraan toegevoegd: ‘Eindpunt’. Toch voelt niet op de knop drukken als spelen met vuur, de bus kan immers de laatste halte gewoon voorbijrijden.
Het is niet gezegd dat hij stopt, immers: het eindpunt is ook weer het beginpunt.

