Mattho Mandersloot

Terug in Korea

De sporen van Han Kang
9 mei 2026

Met ieder boek dat ik vertaal stuit ik weer op nieuwe plekken die ik met eigen ogen zou willen zien. Van het Suseong-meer in Maak me eendimensionaal tot de kliffen aan de oostkust in To the moon, ik ben altijd benieuwd of mijn verbeelding klopt. Mijn favoriet uit dit rijtje is een bergpas die Han Kang beschrijft in Inkt en bloed: de Misiryeong.

Het is een zonnige dag als ik me klaarmaak om de bergen in te trekken, maar dat zegt weinig: eenmaal boven snijdt de wind als een mes in je huid. Volgens het internet heb je het beste uitzicht op de Misiryeong vanaf een rotsformatie genaamd Ulsanbawi. Ergens onderweg naar de top staat een gezellig bordje met de mythologische verklaring voor deze naam. Om het mooiste gebergte van Korea (de Kumgangsan, gelegen in het huidige Noord-Korea) samen te stellen, riep de god in kwestie alle bergen van het schiereiland bijeen. De berg afkomstig uit Ulsan kon zijn soortgenoten niet bijbenen, dus toen de god aankondigde dat het mooiste gebergte voltooid was, was hij nog onderweg. En omdat hij geen zin had rechtsomkeert te maken, bleef hij maar liggen op zijn huidige plek. Als ik op de top sta, dank ik hem voor zijn trage benen, want het uitzicht is fenomenaal. Een groep picknickende wandelaars nodigt me uit om aan te schuiven en als ik vertel over Han Kang en de Misiryeong, word ik beloond met jumeokbap (letterlijk vuistrijst; een rijstbal die je uit het vuistje kunt eten).

De tweede Han Kang-connectie volgt op het eiland Jeju. Het onderzoek voor haar hartverscheurende roman Ik zeg geen vaarwel deed ze grotendeels in het Jeju Peace Park. Hoewel ik al een paar keer op Jeju ben geweest, moet ik bekennen dat ik nog nooit van het Peace Park & Museum had gehoord totdat ik aan die roman begon. Tegenwoordig staat Jeju voornamelijk bekend als vakantiebestemming (blijkens de bijnaam ‘het Hawaï van Korea’) en een museum over genocide is wellicht niet bepaald in trek bij de zorgeloze toerist. Toch blijkt het een uitstekend ingericht museum, dat de zware geschiedenis inzichtelijk maakt. Het meest aangrijpend zijn de video-interviews met ooggetuigen, afgespeeld op ouderwetse tv’tjes. Ook al vang ik slechts flarden op van wat ze vertellen (het Jejuaans wijkt zo af van standaard Koreaans dat zelfs bewoners van het vasteland het nauwelijks kunnen verstaan), het verdriet in hun ogen zegt alles.

De mooiste parallel kwam echter uit onverwachte hoek. In het nawoord van Inkt en bloed schrijft Han Kang: ‘Voordat het donker werd, stak ik per metro de bevroren rivier over. Omdat de rivier nog niet helemaal was dichtgevroren, gaf het water aan de rand van het ijs een donkerblauwe gloed af. Op dat moment begon het te bezinken: deze roman heeft mijn handen verlaten.’ Tijdens mijn eerste week in Seoel legde ik de laatste hand aan mijn vertaling van diezelfde roman. De stad is op dat moment in de greep van een koudegolf met gevoelstemperaturen van -20. Na het opsturen van het manuscript neem ik, per toeval, metrolijn 2 en steek de rivier over. Het water is deels dichtgevroren, de ochtendzon glinstert op het water en Han Kang galmt na in mijn hoofd: deze roman heeft mijn handen verlaten.

Sneeuw in Suwon
21 april 2026

De eerste die hoorde dat ik tickets naar Korea had geboekt was grootmeester Kang. Veel van mijn core memories spelen zich af in zijn dojang (taekwondoschool) of in de wijk eromheen. Daar, in hartje Suwon, leerde ik mijn eerste woordjes Koreaans en raakte ik wegwijs in de samenleving. Het nieuws dat ik weer eens op bezoek zou komen werd met enthousiasme onthaald, want de timing had niet beter gekund: er staat een bruiloft op stapel. En aangezien alle oud-leerlingen daarvoor van heinde en verre komen aanrukken, krijg ik plots een reünie in de schoot geworpen.

Terwijl de gasten de foyer van WI Wedding Hall binnendruppelen, werp ik een vlugge blik in de zaal. De voorgaande bruiloft is nog in volle gang. Als ik de borden moet geloven, is dit al de tweede ceremonie vandaag en het is nog geen elf uur geweest. Zo te zien worden er hier zo’n zes huwelijksvoltrekkingen op één dag gepropt. Mijn envelopje met een bescheiden gift voor het bruidspaar – cash is de norm – geef ik af bij de daarvoor bestemde tafel, waarna mijn naam en bedrag netjes in het register worden genoteerd. Mocht het bruidspaar op een dag ook naar mijn bruiloft komen, is me verteld, dan weten ze nu hoeveel ze in hún envelopje moeten stoppen.

De bruiloft gaat voorbij in een sneltreinvaart. Als een geoliede machine leiden twee assistenten op het podium de plechtigheid in goede banen. Ze geven aan wanneer de ouders van het bruidspaar naar elkaar mogen buigen, wanneer ze mogen gaan zitten, wanneer het publiek mag applaudisseren. Ze lijken niet dolblij met hun baan, bijna murw geslagen na talloos vaak ditzelfde riedeltje te hebben afgedraaid. Gelukkig heeft de zaal alleen oog voor bruid en bruidegom en worden er hier en daar wat traantjes weggepinkt. De grootmeester verklaart hen man en vrouw, er wordt een groepsfoto gemaakt en binnen een uur zijn we weer buiten. De volgende kudde bruiloftsgangers staat te popelen.

De volgende ochtend ligt er sneeuw: een mooi dik pak, dat knispert onder je schoenen. Ik besluit een rondje over de oude stadsmuur te lopen, iets wat we vroeger ook vaak deden met het team. De muur – een aandenken aan de 18e eeuw, toen het er even op leek dat Suwon de nieuwe hoofdstad van Korea ging worden – is sowieso een feest voor het oog, maar het winterlandschap doet daar nog een flink schepje bovenop. Het is maandagochtend en er zijn weinig toeristen, dus ik heb bijna het hele fort voor mezelf.

Als de grootmeester later die dag vraagt of ik straks mee wil trainen, kan ik natuurlijk niet weigeren. Aan de vaste onderdelen van de les is niets veranderd en het voelt goed om weer eens een langgerekte kihap uit te stoten, rennend over de matten waar ik al die liters zweet op heb geplengd. Mijn hart maakt een sprongetje als Yujin (dochter van de grootmeester en meervoudig wereldkampioen) zegt ‘dat ik het nog kan’. Maar het mooiste moment van de avond komt wanneer ze de klas laat opstellen, mij naar voren roept en me mezelf laat voorstellen. Terwijl ik in het Koreaans mijn verhaal vertel, gapen de jongere leerlingen me vol ongeloof aan. Hoewel het op tv geen rariteit meer is dat een buitenlander Koreaans spreekt, kom je ze op straat nog niet elke dag tegen, laat staan in Suwon. Ik denk terug aan de dag dat ik hier stond te stotteren om mijn naam en leeftijd over mijn lippen te krijgen. Een wereld van verschil. En in de manier waarop Yujin vervolgens zegt: ‘Gaaf hè, jongens?’, hoor ik enige trots dat ze hier niet alleen hordes taekwondokampioenen hebben geproduceerd, maar ook één vertaler.

 

Terug in Korea
22 februari 2026

Het is ruim dertien jaar dat ik – amper achttien jaar oud – voor het eerst vier maanden naar Korea vertrok. Een waagstuk dat rechtstreeks uit Kill Bill of Karate Kid leek gegrepen: ik ging in de leer bij een taekwondogrootmeester en niemand binnen het team sprak Engels. Fast forward naar vandaag de dag en ik verdien mijn brood met het vertalen van Koreaanse literatuur en ga zelf een boek schrijven over mijn ervaringen met het land, de taal en de cultuur. Om herinneringen op te halen en me weer net zo onder te dompelen als die eerste keer in 2012, verblijf ik nu zes weken in Korea. Hier doe ik af en toe verslag.

Een reis naar een vroeger thuis is als een weerzien met een oude vriend: het voelt meteen als vanouds en tegelijkertijd vraag je je af of er iets aan de ander is veranderd. Mijn laatste verblijf in Seoel duurde van 2019 tot 2021, toen ik de vertaalopleiding van het Literature Translation Institute Korea doorliep. En hoewel er in de vijf jaar da arna geen dag voorbijging dat ik niet met Koreaanse boeken of films bezig was, heb ik de stad niet meer met eigen ogen gezien. Voor een land dat bekendstaat om ongekend snelle vooruitgang, is vijf jaar meer dan genoeg om zichzelf in een nieuw jasje te steken. Leuk plan dus, herinneringen ophalen, maar wie zegt dat er nog iets van terug te vinden is?

Het straatbeeld van Seoel verandert rap: van de tientallen cafés en restaurants die ik op Naver Maps als favoriet had opgeslagen, zijn de overgebleven exemplaren op één hand te tellen. Het is me ook eens overkomen dat ik de grote aankondigingsbanner van een nieuw geopend café nog aan de gevel zag hangen, terwijl de tent zelf alweer was opgedoekt. Zo snel kan het gaan. Daarnaast blijven de nieuwste technologische snufjes doordringen in het dagelijks leven, waarbij menselijke interacties steeds verder naar de achtergrond worden verdreven: het merendeel van de horecagelegenheden heeft tegenwoordig een manshoog touchscreen bij de balie staan, niet alleen de fastfoodketens. Je nummertje wordt omgeroepen als je bestelling klaarstaat of – ook niet ongebruikelijk – het eten wordt door een robot op wieltjes naar je tafel gereden. Kleine winkels zijn in toenemende mate mu-in (letterlijk: mensloos, oftewel: onbemand) en ook de 24/7 robotbarista heeft zijn intrede gedaan, waar je je koffie krijgt aangereikt door een mechanische arm uit de muur.

Tot zover de veranderingen die meteen in het oog springen. Natuurlijk is er ook een hoop hetzelfde gebleven. Het uitzicht vanaf de Bukhansan, de 800 meter hoge berg ten noorden van Seoel, is nog even indrukwekkend als altijd. De Koreaanse winter is nog even onverbiddelijk koud – zo koud dat zelfs de Han rivier gedeeltelijk dichtvriest. En toch drinkt het ganse land iced americano, een tendens die in de volksmond bekendstaat als eol-juk-ah: een samentrekking van de zin ‘ook al sterf ik van de kou, doe mij maar iced americano’. De laatste K-pop hits – au moment de volledige soundtrack van Demon Hunters – galmen nog even vrolijk uit de speakers op straat, de mensen zijn nog even toeschietelijk en het metronetwerk nog even onberispelijk. (Het enige wat eraan is veranderd, is het deuntje voor als de volgende metro in aantocht is, na veertien jaar in gebruik te zijn geweest).

Met andere woorden, volgens mij komt het wel goed met mijn geheugen. Naast twee weken in Seoel ga ik onder andere op bezoek bij mijn oude taekwondomeester in Suwon en verblijf ik op plekken die veel voor me hebben betekend: Sokcho, Jeju en Busan. Off we go.